MOEDWILLIGE ONBEKEERLIJKHEID DE GROFSTE ZELFMOORD.

Ezechiël 18 vers 31b: ,, Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? ”

De goddeloze’ twist in dit 18e hoofdstuk van Ezechiël tegen de HEERE, zeggende in vers 2: ,,De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp geworden”: hij zegt, onze vaders hebben gezondigd, en wij worden gestraft. Dit is de algemene uitvlucht in het hart van elk natuurlijk mens, wanneer men het er namelijk voor houdt en zichzelf beklaagd dat Adam gevallen is, en dat nu zijn arme nakomelingen daarvoor moeten boeten. Want als God ons zou willen verdoemen meent u, dan kán Hij dat ook, en dan hebben wij niets om dat te wederstaan. Want wie heeft Zijn wil wederstaan? Zulk een (verkeerd) besluit maakt de mens, en God geeft hem op die beschuldiging nog een zachtmoedig antwoord, hoewel Hij de mens ook direct hellewaarts zou kunnen zenden. God antwoordt door een eed in vers 3: ,,Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo het ulieden meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken!”

In vers 4 stelt God vast, dat de ziel die zondigt zal sterven. Geen ziel zal er sterven, dan alleen die zondigt. God verklaart Zichzelf, door te spreken, dat als een mens doet hetgeen ‘recht’ is, hij zal ‘leven’. Ook al was hij nóg zo goddeloos, toch zal hij leven, vers 21: Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.

Ook doet God een beroep op het geweten in vers 23: ,,Zou Ik enigszins lust hebben aan den dood des goddelozen, spreekt de Heere HEERE; is het niet, als hij zich bekeert van zijn boze wegen, dat hij leve?”. Heb Ik daar ook maar enigszins vermaak in vraagt God u? Ik beroep Mij op uw aller consciëntie, als Ik ook maar enigszins vermaak schep in de dood des goddelozen! De Heere keert de beschuldiging precies óm in vers 29: ,,Hoort nu, o huis Israëls, is Mijn weg niet recht? Zijn niet úw wegen onrecht?”. Daarom besluit Hij in vers 30: ,,Daarom zal Ik u richten, o huis Israëls! Een ieder naar zijn wegen” en beëindigd door u toe te roepen: ,,Keert weder en bekeert u van al uwe overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden”. ,,Want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? Daarom bekeert u en leef”.

Hier nu vinden wij vier opmerkelijke dingen:

l. God wijst de beschuldiging van Zich, alsof ook maar enige oorzaak van uw verdoemenis te zoeken zou zijn in Zijn verborgen wil, als Hij zegt: ,,Ik heb geen lust aan de dood des stervenden”.
II. Ook ontneemt Hij aan Zijn geopenbaarde wil alle oorzaak van uw ondergang, wanneer Hij Zijn geopenbaarde wil uitspreekt: Keert weder en bekeert u, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden.
III. Ook wendt Hij elke reden van uw ondergang af, als oorzaak zijnde van Zijn toelatende wil. En hoewel die ‘toelating’ er is, toch mag u die niet als uitvlucht gebruiken, waarom u verhinderd zouden worden, om zich een nieuw hart en een nieuwen geest te maken. Zeg toch
niet, dat de schuld voor Gods deur ligt, o neen, die ligt voor de uwe o mens. ,,Maakt u een nieuw hart”.
IIII. God legt heel de schuld van uw ondergang op uw eigen wederspannigheid. ,,Waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?”. Wat is toch de reden, waarom gij in uw zonden leeft, zodat gij sterft en vergaat in uw zonden? Is het, omdat Ik niet barmhartig ben? Ge weet toch wel, dat Ik barmhartig en vol van genade ben, en bereid om te vergeven?

Welnu dan: ,,Waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? “Komt het, omdat Ik haastig toorn? Gijlieden weet toch wel, dat Ik traag ben tot toorn, en dat Ik u eerst vele malen bedreig, eer Ik u verdelg? Waarom wílt gij dan sterven, o huis Israëls? Dacht u, dat Ik u verdelgen wil om de zonde van een Achaz, of van Manasse, of van Zedekia of van Adam? Het is u toch wel bekend, dat indien de zoon niet wandelt in de overtreding zijns vaders maar zich bekeerd, het Mijn gewoonte is hem aan te nemen? Komt het, omdat u geen Heiland hebt? U weet toch wel, dat het Lam Gods, Christus Jezus, geslacht is ,,van voor de grondlegging der wereld”, en gij door het geloof behouden kunt worden? Is dit de oorzaak, dat gij onmachtig zijt? Zoals u weet, stel Ik u én de genade én de mogelijkheid tot zalig worden in mijn Zoon voor, doch gij begeert die niet.

Waarom zoudt gij dan sterven, o huis Israëls? Is het om deze of om die oorzaak? Of om nog weer een andere? Ja, wat ís eigenlijk de oorzaak? Die oorzaak ligt niet aan Gods kant. O neen! U hebt het aan uw eigen wil te wijten, als u omkomt. Dit, dit éne stelt u schuldig: dat ge u niet bekeren wílt. U bent zorgeloos tegenover God, tegenover de Christus en de genade; en u wílt dat ook zijn: u bent ijdel, vleselijk en hardnekkig. Ja, zo wílt ge zijn! ,,Wee u, Jeruzalem, Wee u, gemeente, zult gij niet rein worden? Hoe lang nog na dezen?”. God zegt dus niet: ,,Wee u, Jeruzalem, ge kunt niet rein worden ” maar: ,,Wilt gij niet rein worden?

Om niet misverstaan te worden, stellen we samen een aantal zaken vast:

Het staat vast en zeker, dat een goddeloze zich niet kan bekeren of zich metterdaad uit zichzelf bekeert. Maar het is niet in de eerste plaats dit niet-kunnen, dat hem hindert. Want indien dit niet-kunnen het enige beletsel was voor een goddeloze, dan zou hij zichzelf voor de rechterstoel van Christus als volgt kunnen verontschuldigen: ,,Heere, U weet toch wel, hoe zeer ik mijn best gedaan heb; want ik wenste wel door Uw Woord geregeerd te worden, maar ik kon het niet; ik wilde wel vernederd en vernieuwd worden, maar ik heb het niet gekund.”

Ja, als alleen de onmacht van de goddeloze hem belette, dan zou hij zichzelf op die manier kunnen verontschuldigen. Maar och arme mensen, zó kunt u niet spreken, zonder openlijk te liegen, zeggende: ,,Heere, het lag niet alleen aan mij, ja, ik heb boosheid gedaan, maar ik kon nu eenmaal niet anders.

Hoewel het buiten uw macht lag om niet in erfzonde geboren te worden, wie gemeente heeft u echter genoodzaakt om zoveel en zulke grote dadelijke zonden te begaan? De Heere moet van u klagen: ,,Daarom dat zij de wetenschap gehaat hebben en de wegen des HEEREN niet hebben verkoren” Spreuken 1: 29. U heeft zich niet ingespannen om te verkiezen hetgeen goed was. Welnu, kwam dat vanwege het feit, dat u niet kon? Want gesteld al, dat u niet kon, dan was dat toch de oorzaak niet. Neen, ,,zij hebben in Mijnen raad niet bewilligd, al Mijne bestraffingen hebben zij versmaad, Spreuken 1: 30″. Let goed op de reden, waaróm zij die wegen Gods niet verkoren hebben. Deze bestond niet daarin, dat zij niet hebben gekund, maar omdat zij niet wílden.

Het is waar: God geeft u niet de kracht om naar eigen believen te geloven en vernieuwd te zijn. Maar kunt u daarom dan toch zeggen; Ondanks het feit, dat ik serieus gewild heb, zo heeft God niet gewild? Heeft u gemeente reden om als volgt te spreken: Hoewel ik er van harte naar gestreefd heb, toch heeft God mij Zijn genade niet willen geven? Want dan zou u enige schijn (van recht) hebben, om de schuld op God af te schuiven: ,,Ik wilde wel, maar God heeft niet gewild.” Maar u kunt daarvan de schuld niet aan God geven. ,,Hoe menigmaal heb Ik u willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, én?? gijlieden hebt niet gewild!!” (Matth. 23:37). Ik heb gewild, zegt God, maar gijlieden hebt niet gewild”!

Het is waar: Ook al zou u zoveel willen, als u zou kunnen willen, gesteld dat dat zo zou zijn, dan zou u dat toch niet ten volle genoegzaam zijn. Maar dit gebrek doet u niet vrij uitgaan. U heeft nog talenten ontvangen. Ach, zegt er nu vanmiddag iemand in de gemeente: Helaas! God heeft totaal geen kracht van bekering in mijn hart gezaaid, en wil Hij dan toch nog proberen om bekering te maaien? Dit is toch wel een strenge en harde handelwijze! O, gij boze en luie dienstknecht spreekt God tot u! Waarom hebt ge dan dat talent, dat Ik u gegeven had, niet gebruikt? Ik gaf u verstand, maar u hebt die in de aarde begraven en u bent daar aards mee omgegaan. Ik gaf u kennis, maar u hebt ze in de aarde verborgen en niet tot verbetering aangewend, zoals ze vereiste. Och arme! U kunt het daarom niet aan uw onmacht, maar alleen aan uw onwil wijten.

Het is zeker waar dat de één goddelozer is dan andere. En dat de algemene genade u misschien nog behoedt voor uitbrekende zonden, beseft u, dit komt niet uit de mens zelf, maar van God. Want wat hebt gij, dat ge niet ontvangen hebt? Gods algemene goedheid is het, Die de ene goddeloze van de andere verschillen doet. De ene goddeloze is een dronkaard en de andere niet. De éne goddeloze is moedwilliger dan de ander. Maar al maakt God dit onderscheid, toch is het uw eigen schuld wanneer u slechter bent dan uw buurman. ,,De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier”. De Heere zegt, dat godsdienstige geslacht in Jezus’ dagen was nog erger dan de Ninevieten. Want Ninevé bekeerde zich in zak en as, maar ,,dit geslacht” deed dat niet. U wordt het evangelie gepredikt als een talent, als straks de Ninevieten tegen u op zullen staan dan zult u niet kunnen zeggen als excuus: Heere, U was ons niet zo gunstig gezind als Ninevé. O nee! Christus Jezus zegt het hun met nadruk, dat Ninevé in het oordeel tegen hen zal opstaan; alsof Hij zeide: ,,Ninevé was niet zo onwillig als gij; dat goddeloze Ninevé wilde wel, maar gij wildet niet.” Onze Heiland Christus schrijft het dus aan hun onwil toe, dat zij niet zo gewillig waren als Ninevé: Ninevé wilde wel, maar gij hebt niet gewild.

Leer hiervan: de reden waarom de goddeloze zich niet bekeert, is niet, dat hij niet kan (al kan hij inderdaad niet!), maar omdat hij niet wil.

ZEVEN BEWIJZEN OM DE WAARHEID HIERVAN AAN TE TONEN.

l. De goddelozen dénken dat zij iets kunnen, en toch willen ze dat niet ten uitvoer brengen. En wat is er toch wel de reden van, dat zij denken dat zij zich wel op een andere keer zullen bekeren, dan alleen dit, dat zij denken er de kracht toe te hebben! En wat is er toch de reden van, dat zij hopen om zich nog eens op hun sterfbed te zullen bekeren, dan uitsluitend dit: dat zij volgens hun gedachte dat wel kunnen! Of althans, dat zij bekwaam zijn om daartoe de kracht, van Christus Jezus te smeken’ Welnu, God zal hen uit hun eigen gedachten ervan overtuigen, dat zij hun zonden niet nalaten, omdat zij niet willen. Het vergaat hun als de luiaard (Spr. 6:10): ,,Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende'” Zo’n luiaard denkt, dat hij nog tijdig kan opstaan om al zijn werk voor de avond te verrichten, ook al ligt hij nog een poosje langer; en daarom durft hij het aan om nog wat te blijven liggen.

Precies zó wilt u ook, nóg niet uit uw zonden opstaan. Er is nóg tijd genoeg, denkt u. Ja, u denkt in het verborgene, dat u wel in staat bent om láter eens te denken aan de hemel. Kom, kom, zegt u, op een bandeloze jeugd volgt wel eens een bezadigde ouderdom, en een jonge heilige wordt wel eens een oude duivel… Vandaar dat de overspeler betoogt: Bedreef ook David geen overspel? Precies alsof hij evengoed weer op zou kunnen staan als David. De dronkaard zegt: Is Noach soms niet dronken geweest? Alsof hij dan ook evengoed in staat was om zich te bekeren als Noach. Misschien zegt u; bekeerde zich de moordenaar aan het kruis niet bij zijn laatste ademtocht? Alsof ook u op het laatste moment het er ook zo goed zou afbrengen. En zo kunt u, volgens uw mening, met uw zonden breken wanneer het maar nodig is. En daarom is de enige reden, waarom u zich niet bekeert, het feit dat u nóg niet wilt.

U lijkt op iemand die met honderd pond in zijn zak loopt, welk bedrag van hemzelf is: en toch wil hij er nog geen cent van aan een arme geven. Wat is toch wel de reden dat hij zijn beurs niet wil openen, om iets te geven? Is het, omdat hij niet kan? O nee, hij denkt en weet, dat hij het heeft en dat hij het kán geven, maar hij wil niet. Zo is ook de reden, waarom u niet beter bent, dat u niet barmhartiger bent, dat u niet meer omziet naar uw arme naaste: omdat u niet wilt.

2. U neemt zelfs niet de moeite om eens te onderzoeken, of u al of niet zoudt kunnen; waaruit blijkt dat het u niet aan een niet-kunnen, maar niet-willen ontbreekt. Wanneer een meester zijn knecht opdraagt: Ga voor mij eens die zak koren naar de molen brengen, en deze zou zeggen: Dat kan ik niet, dan zou zijn heer zeggen: Wel, maar zoudt ge het eens niet probéren? Zoudt ge uw best niet eens doen? Maar nee, hij wil het niet proberen. Dus hij doet het moedwillig niet. Als zijn meester hem zou hebben zien zweten en zijn best doen om die zak koren te dragen, dan zou het nog iets te betekenen hebben, als hij zei, dat het hem aan het kunnen haperde. Maar wanneer hij niet eens de moeíte wil nemen om het te proberen, dan ligt het aan zijn onwil. Zo blijft ook u in onwil hangen. Ge slooft u dagelijks niet uit in goede plichten: ook overlegt of betracht ge dagelijks niet, hoe ge alle (mogelijke) aanleiding tot verzoeking zoudt mijden en al uw zonden zoudt overwinnen, en ge doet er uw best niet voor om uw gezin of huis te reinigen. Ge wílt er uw best niet voor doen; dáar ligt de knoop: u wilt het niet. Ja het doet er weinig toe, of ge al of niet kunt. Met welk doel gaf God u de kracht, als ge die toch niet gebruiken wilt? Ja, hoe wéét u eigenlijk of u de ontbrekende kracht niet krijgt  m Gods wil te doen? Maar u wilt het niet proberen. Werp af dat dronkemansleven, en probeer het eens; neem nooit drinkebroers en onmatige drinkers meer in uw huis, neemt afscheid van uw verkeerde vrienden, en probeert het eens; bezoek Gods volk, lees Gods woord, en probeer het eens; bid zonder ophouden in uw kamer, en probeer het eens. Ja maar (zegt u), ik heb het al zo vaak geprobeerd, en toch wil het maar niet lukken. Maar probeert u het dan elke dag overnieuw. Bid zonder ophouden! Maar u wilt het niet eens proberen. God spreekt: Ik heb Babel willen genezen, maar het wilde niet genezen worden.

De akker van de luiaard was gans opgeschoten met distelen; en de doornen en brandnetels hadden de gehele vlakte bedekt, en ,,zijn stenen scheidsmuur was afgebroken,” Spr. 24:31 . En waarom had die man toch geen goede oogst? Kwam het omdat de grond niets kon voortbrengen? O nee! Maar omdat hij het niet proberen wilde, hij wilde het land niet beploegen, niet eggen en wieden, niet bemesten en bezaaien. Hij wilde het niet.

3. God stelt u vele goede hulpmiddelen om u te helpen voor. Hij zegt: Ik wil u helpen en bekwaamheid schenken, maar gii wilt niet geholpen worden en er niet om vragen. God geeft u door Zijn woord en prediking goede raad, en gij werpt ze weer uit. ,,Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uwe ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen” (Jer. 6:16). O, staat toch naar die goede weg, en tracht daarin te wandelen: Ik zal u helpen en bijstaan. Maar zij zeggen: ,,Wij zullen niet luisteren” (vers l7). Of in platNederlands: wij willen niet. U wordt elke zondag en elke week gepredikt, maar ge wilt niet. God zendt u elke dag, ja elk uur goede werkzaamheden maar ge wilt niet. Wanneer een bedelaar weigert zich te laten helpen, wat doet hem dan honger lijden? Komt dat, omdat hij niet anders kàn? O nee, hij lijdt honger, omdat hij honger lijden wíl. O, zegt u, ik hoor naar het Woord, en ik kan het niet béter horen; ik bid dagelijks, en ik kan toch niet beter bidden. Dus wendt u de schuld op God, zoals die boze en luie dienstknecht deed die zijn talenten verborg in de aarde: Zie, Gij hebt het Uwe! U helpt mij niet verder. Ik kon niet beter doen, hoe durft ge dat te zeggen? Is dit dan al hetgeen God u aangeboden heeft om u bekwaam te maken? Ach, gij wederspannig schepsel! De Heere bood u aan, om u duizendmaal meer kracht te geven, maar gij wilde niet geholpen worden! Opent uwe mond, eist van Mij vrijmoedig, al wat u ontbreekt, schenk Ik zo gij het smeekt, mild en overvloedig. God zegt het u: Schenk Ik, zo gij het smeekt…

4. God bood u niet alleen de kracht aan om meer te doen; en gij wilde het niet aanvaarden; maar Hij schonk u lichaamskracht, doch die wilde u niet gebruiken. God schonk u gezondheid, doch die wilde u niet gebruiken. God schonk u vrije tijd, doch die wilde u niet benutten. Dát is de reden, waarom gij het niet doet, omdat u het niet wilt. Elke prediking wekt u opnieuw op: ze is als ’t ware een nieuwe penning. Evenzo geeft u elke goede raadgeving nieuwe kracht, en wat bent u erdoor verbeterd? Elke zegen die ge ontving, geeft u nieuwe kracht, en in welk opzicht bent u reiner geworden? Als God u alleen maar ogen geeft, dan hebt ge meer kracht om Hem te verheerlijken, dan wie ze mist. Als God u een mond geeft, dan hebt ge meer kracht om Hem aan te roepen, dan wie ze mist. Elk genadewerk in uw omgeving ondersteunt u met verse krachten, maar in welk opzicht maakt u er gebruik van? God gaf u een goed geheugen, maar waarmee hebt ge dat gevuld? Levensmiddelen en – onderhoud gaf Hij u, maar hoe hebt ge God geëerd, ja hoe? Uw eigen geweten beschuldigt u; u hebt Zijn goederen verkwist, u hebt ze met drinkgelagen en mooie dingen erdoor gebracht: dát waren de dingen, die uw belangstelling hadden, meer dan ooit Zíjn dienst verkreeg; u hebt ze voor uw eigen vermaak, voor úw lusten en voor de vleselijke begeerlijkheden van deze wereld verspild. Gemeente, u zult u eerstdaags deze treurige tijding horen toeroepen: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u zult niet langer rentmeester kunnen zijn! Wat kunt ge dan beweren inzake uw gebrek aan kracht? Dit kon ik niet doen, en dat kon ik niet?

Waar zijn toch Mijn goederen, die Ik u toevertrouwde zal God u vragen? Geef eens rekenschap van uw geheugen! Heere, mij komt deze of gene onzin, deze of die wereldse wijsheid voor de geest. Gij boze en ,,luie dienstknecht”, die gij zijt! Waarom kon u niet even goed aan Mijn geboden denken! Geef eens rekenschap van uw kennis! Heere, ik heb er koopmanschap mee gedreven en voorspraken mee gedaan, ik heb er leuke kwinkslagen, kritiseringen en vrolijkheid mee bedreven. Gij boze en ,,luie dienstknecht, die ge zijt; waarom wilde ge niet geestelijk zijn voor God, en denken aan de welstand van uw ziel? God heeft u heel wat meer kracht gegeven, dan u ooit hebt aangewend, omdat ge onwillig zijt.

5. Hoe meer kracht ge tot bekering bezit, hoe meer uw wil zich daartegen verzet. Met hoe meer middelen God u zegent, hoe meer preken, hoe groter kennis, hoe meer bestraffing, hoe meer verlichting en hoe meer kracht ter bekering gij hebt, des te meer verzet uw wil zich daartegen. Zo iemand is een ‘averechts mens’, tot wie God zeggen moet: ,,Wat zal Ik u doen? ” ,,’Wat zal Ik u doen, o Efraïm, wat zal Ik u doen, o Juda? dewijl uwe weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw die henengaat” (Hos. 6:4). Hoe meer hulpmiddelen u krijgt, hoe meer uw weldadigheid verdwijnt. Men zou zo denken, dat hoe hoger het zonlicht des Evangelies opgaat, hoe meer uw weldadigheid zou toenemen. Maar des te meer verdwijnt ze juist, evenals de dauw: hoe hoger de zon rijst, des te meer de dauw wegtrekt. Zo is het ook bij velen onder u: hoe overvloediger predikatiën ge beluistert, des te verder verwijdert ge u. Mogelijk ging u vroeger vertrouwelijk met een kind van God om. Maar nu u eens hartelijk en liefdevol vanwege uw zonden bestraft bent, naar die mate ontloopt ge hem nu. Ja, sommigen uwer, die vroeger wel enige vorderingen maakten, zijn nu spotters geworden; anderen die tevoren wel enigszins goedaardig en gul waren, zijn nu grote gierigaards’: en afgunstig, onwillig en werelds geworden. Het vergaat u als het onkruid: hoe meer men het wiedt, des te meer groeit het aan; of het vergaat u als de aarde: hoe meer die gewassen wordt, des te meer wordt ze modderig. Zo ook zijt gij, des te onwilliger, naarmate ge over meer middelen beschikt, om het goede te doen.

6. Uw ,,ik kan niet” is een vrijwillig niet-kunnen. U hebt uzelf uw niet-kunnen voor het grootste deel opzéttelijk op de hals gehaald. ,,Ik kan niets aan de armen geven”, zegt u. Ja, maar u hébt de middelen ervoor wel gehad, maar het er alles moedwillig doorgebracht. U bezat land, bezittingen en inkomsten, maar u hebt het alles in de kroeg verteerd, u hebt het er met spelen doorgebracht, en daarom is uw ,,ik kan niet’ een vrijwillig niet-kunnen. Uw eigen wil was de oorzaak van uw onvermogen. En daarom is uw eigen wil de oorzaak, dat u niets aan de armen geeft. ,,Ik kan niet lezen,” zegt iemand, ,,en dus is het geen wonder, dat ik zo onwetende ben.” Maar vergeet niet, dat uw ouders u naar school wilden sturen, maar dat u liever een leegloper wilde zijn, zodat u vrijwillig onwetend bent. ,,Ik kan de preek niet onthouden,” zegt een ander, ,,en daarom is het geen wonder, dat ik ze niet met mijn gezin bespreek, en ze snel vergeet.” Ja, maar dat komt omdat ge uw geheugen zo vol propt met de dingen van dit aardse leven of verzwakt door drinken en verdovende middelen, dat ge daarom moedwillig vergeetachtig zijt.

De onnutte dienstknecht in de gelijkenis werd vervloekt, omdat hij het hem toevertrouwde pond in een zweetdoek weggelegd had. Hij had niets van dat pond verlóren, maar het ‘slechts’ ,,weggelegd” (Luk. 19:20), en toch werd hij vervloekt, aangezien hij er zich niet op toelegde om het te ‘verdubbelen’. Ach ellendige staat, waarin gij verkeert! Want hij die zijn pond ‘weglegde’, werd al vervloekt. Maar hoe zal het u dan wel vergaan, die het pond vermindert en verbrast! Hij verdubbelde zijn bekwaamheden niet, en daarom werd hij vervloekt. En gij verdubbelt niet slechts uw bekwaamheden niet, maar gij maakt ze minder. God gaf u de gaven om veel te verrichten. En nu hebt ge zelfs die gáven niet eens meer, want ge hebt uw gaven vrijwillig verminderd. Daarom kunt ge uzelf niet verontschuldigen, omdat ge niet kunt, omdat ge dit niet-kunnen uzelf aangedaan hebt. U kunt onder de prediking niet meer schreien, maar u hébt het wel gekund. U kunt een bepaalde begeerte geen weerstand bieden, maar u hebt het ééns wél gekund, en nu hebt ge dit niet-kunnen vrijwillig over uw ziel gebracht. En daarom is dit de hele oorzaak van dit alles: dat ge niet wilt.

7. ’t Is mogelijk, dat ge niet kunt, zeker..! Maar u bent met uw niet-kunnen tevreden. U kunt niet heilig zijn, maar ge legt er u bij neer. U kunt uw lusten en begeerten niet kruisigen, en gij zijt onder dat niet-kunnen gerust, ja u zou niet eens willen het te kunnen. Gemeente ik wenste u wel te kunnen overtuigen. Maar u zegt: u zult het niet voor elkaar krijgen, ik wíl niet door u onderricht worden! ” Precies zoals het dat hopeloze Juda verging: ,,Mijn volk heeft het gaarne alzo” (Jer.5:31). U bent vleselijk, en u hebt het gaarne alzo. Wanneer iemand geboeid is, en zich niet kan losmaken omdat hij het goed vindt gevangen te blijven; ook al kan hij de gevangenis niet verlaten, dan zijn de grendelen op de deuren niet de reden van zijn gevangenschap, maar het feit, dat hij niet wil. U kunt niet wandelen in nederigheid of in heiligheid, en ,,gij hebt het gaarne alzo”.

,,Kom nou, zegt u: wilde u mij zó zuiver hebben?” De gemeente is goddeloos, doch ,,gij hebt het gaarne alzo.” Zodat uzelf niet teveel opvalt. Zoals ik eens een ondeugende’ schrijver in de criminele rechten’ persoonlijk hoorde vertellen, hoe blij hij erom was, dat er zoveel deugnieten waren, omdat hij dan des te meer geld verdiende. Zo zijn er ook onder u. Zij hebben er schik in, dat er zovelen de kroeg bezoeken. U hebt het graag zo. U kunt elkaars zonden niet verbeteren zegt u, en gij hebt het gaarne alzo’.

Nu ik de feiten aldus verklaard heb, en de bewijzen vastgesteld heb, kan ik nu de oorzaken van deze noodzakelijke waarheid laten volgen: De oorzaak, waarom een goddeloze zich niet tot God bekeert, is niet, dat hij zulks niet kan (hoewel hij het niet kan), maar dat hij zulks niet wil doen. Hij kan in de dag des oordeels dus niet zeggen: ,,Heere, U weet wel, dat ik zoveel mogelijk elke zonde nagelaten heb en ik de beste wegen die ik kon, ingeslagen ben om een nieuw schepsel te worden, maar ik kón het niet. Een goddeloze zal dat, zonder te liegen, niet kunnen zeggen. De man uit het Evangelie, die niet met een bruiloftskleed bekleed was, zou die kunnen zeggen; ,,Heere, ik kon niet naar de kleedkamer van het Evangelie gaan, om mij een bruiloftskleed aan te laten trekken? ” O nee, ,,hij verstomde”, Matth. 22:12. God weet de geveinsde te vinden, al was er maar één. En eenmaal ontdekt, staat hij daar stom en verbaasd vanwege de schuld van zijn eigen onwilligheid.

Gemeente, zo heeft Gods woord geklonken tot u. Al wilt u dan niet, toch hebben Gods dienstknechten hun plicht gedaan en uw bloed op uw éigen hoofd gebracht. Verder kunnen zij niet gaan, als u onwillig blijft. De stalknecht kan het paard slechts naar het water leiden (zoals men zegt). Wanneer het dier dus niet drinken wil, dan kan die knecht er verder niets aan doen. Zo ook kunnen Gods knechten uw toestand niet verbeteren: uw bloed rust op uw eigen hoofd, zij hebben zich van hun plicht gekweten. Toen Abrahams knecht de vraag stelde: Maar wat moet er gebeuren, als de vrouw weigert mij te volgen? luidde het antwoord: ,,Zo zult gij rein zijn van dezen mijnen eed”, Gen. 24:8. Zo kunnen ook wij als Gods dienaren vragen: Heere, maar wat dan, als zij niet willen? Ja, als zij niet willen, laat ze dan maar hun eigen zin opvolgen; u bent er onschuldig aan. De Heere heeft ons bezworen om toch te prediken, te onderwijzen, op te wekken, te bestraffen en tot genade te nodigen. Maar als wij dat doen, en gij intussen niet wilt, dan kunnen wij er niets aan verbeteren. Dan rust uw bloed op uw eigen hoofd. Wij hebben ons van onze eed en schuldige plicht gekweten. Het zou ons zeer hartelijk verblijden, als u wél wilde: maar zo niet: wij hebben onze plicht gedaan.

2. Als u niet wilt, dan heeft het Evangelie zijn boodschap gedaan en stelt u uzelf schuldig aan uw eeuwig verderf. Het Evangelie heeft zijn boodschap gedaan. En dit is zijn boodschap, ook vanmiddag tot u gemeente: ,,Die wil, neme het water des levens om niet”, Openb. 22:17. Deze boodschap is u alzo menig keer gebracht. Dit is de laatste vermaning van de gehele Bijbel. Het is, alsof iemand aan het eind van de markt al bezig is om zijn kraampje af te breken. Ik heb u, zegt hij, mijn laagste prijs genoemd; als u het ervoor hebben wilt, dan moet u het nemen; en anders moet u het laten, ik moet nu vertrekken. Evenzo is dit het slot van het Boek Gods. Alsof Hij zeide: Ik sta op het punt om nu Mijn Boek te sluiten. Haast u, als u wilt. Kom en weest welkom! Maar zo niet, dan moet Ik vertrekken. Als u nog niet wilt, dan weigert ge u te onderwerpen. Ja, dan wilt ge uw eigen lusten volgen en uw trotse moedwil weigert te bukken. U wilt niet één stipje van uw opgedirkte burgerlijke fatsoen en uitwendige gedaante van godzaligheid afstaan. U wilt niet schuldig zijn. U wilt niet goddeloos zijn.

3. Ja, als u niet wilt: het bloed van Jezus Christus heeft datgene uitgewerkt, waarvoor het kwam. Het kwam namelijk om u zonder werken uwerzijds, barmhartigheid aan te bieden, en om u genade, kwijtschelding, zaligheid en de hemel voor te stellen, en dat alles: om niet! Als u nu liever hebt, dat – in plaats van Christus – de zonden over u heersen zal; als u dus noch horen noch gehoorzamen wilt, dan zeg ik u: Het bloed van Christus heeft volbracht, waarvoor het gekomen was; en uw ziel zal de gevolgen ondervinden. Want u hebt kennis van de waarheid. Christus heeft u die zeer zuiver voorgesteld, en dus kan het niet anders, of u weet ervan. En toch wilt u zich er niet aan onderwerpen. Houdt u ervan overtuigd, dat u iets ergers zal gepresenteerd worden. Want het eerste dat op uw niet willen volgt, is dit, dat Christus u woest zal laten, zoals Christus tot Jeruzalem sprak: Ik heb gewild, maar gijlieden hebt niet gewild, Matth. 23:37. En wat volgt daar dan op? ,,Ziet, uw huis wordt u woest gelaten”. Zo ook: Christus heeft wéI, maar gij hebt niet gewild. Hij heeft u genade-aanbiedingen gedaan, en gij hebt niet gewild. Daarom kunt u verwachten, dat u iets ergers aangeboden worden zal, namelijk dat uw ziel u woest gelaten zal worden. Voor eeuwig.

4. Ja, zo u niet wilt, dan vermoordt gij uw eigen ziel. Het heeft u bedorven, o IsraëI”, Hos. 13:9. Evenzo vergaat het u. O, welk een menigte onder u is er, wier ziel al ten enenmale vermoord is. De één door middel van deze, en de ander door middel van die zonde. Wie vermoordde uw ziel? Dat deed God niet. Want Hij stond gereed om u te helpen. Ook de predikant deed het niet, want hij wendde alle mogelijke middelen aan, om uw ziel te behouden. Hij bleef niet in gebreke om u te onderrichten en te vermanen. Nee, uzelf hebt het gedaan. U wilde vleselijk, u wilde verwaand zijn, ja u wilde aan het Woord niet onderdanig zijn. Uw eigen wil heeft u veroordeeld. Als uw wil niet gekruisigd en aan de wil van Christus gelijkvormig gemaakt wordt, kan Christus niet in uw hart wonen.

TOEPASSING
Laat u dan onderrichten voordat ge willens en wetens uw verderf tegemoet gaat. Verbetert u zoveel ge kunt. Wég met al uw ongerechtigheden, de hinderpalen der ongerechtigheid en alle afgoden van uw hart! Werp ze maar in de beek Kedron. Gebruik alle middelen ter zaligheid, zo nederig als u maar kunt. Laat er niet één huisgezin zijn in de gemeente, waar geen behoorlijke dienst van God gevonden wordt. Vaders, duldt geen zonden bij uw kinderen, noch gij, heren, in uw knechten. Lieg of vloek niet. Wees niet begerig. Laat de oefeningen niet na, waar van iets goeds te hopen valt, opdat u niet zonder pardon, rechtvaardig, onvermijdelijk en zonder erbarmen omkomt, en het dan aan uw eigen wil voor eeuwig te wijten zal zijn. Zoals David tot Salomo zeide, nadat hij hem het werk dat hij doen moest, voorgesteld had: ,,Maak u op en doe het, en de HEERE zal met u zijn. Evenzo zal ik tot u zeggen: Maak u op en doe het. Kom aan! Ga aan het werk, wend geen uitvluchten voor, verneder u voor God en aanzie uw ellende. Roept Hem aan terwijl Hij nabij is!

Nog een enkel woord tot u, die de vrijgekochten des HEEREN zijt, en dan zal ik gaan besluiten. Ik bid, of God dit stuk ook aan uw hart wil brengen. Want al is het, dat uw wil getemd en onderdanig gemaakt is, toch moet gij ook dit punt in u opnemen: Namelijk dat er nog menige zonden in ons wonen, en dat wij het aan onze eigen wil te wijten hebben, dat ze nog niet uitgeroeid zijn. Wij drijven onszelf niet voldoende aan, de wil is nog zo weinig door de liefde werkende, noch arbeiden wij zo vurig in de Heere, als wij wel zouden kunnen, noch ook wandelen wij zo ingetogen als wij zouden kunnen. O, laten wij dan onszelf opwekken! Zullen wij dan tegen het Evangelie zóndigen? Zullen wij tegen de genade zóndigen?
Hebben wij weinig rust? Dat komt vanwege de wederspannigheid van onze wil. O, o! dit is een eindeloos kwaad, want het staat onze troost in de weg, en belemmert onze vrijmoedigheid om tot de troon van Gods genade te naderen. Het belet onze lijdzaamheid, ja elke goede plicht. Het berokkent ons oneindig veel schade. Het doorboort ons hart en verwondt zelfs onze ziel. Het is een zeer droevig beletsel. Dit alles komt voort uit onze onwil om ons voor God te verootmoedigen.

Het is vanwege onze onwil, dat de HEERE niet uittrekt met onze dienaren, en dat Hij zijn Woord niet zo levend maakt aan ons hart (Ps. 6O:12). Het is vanwege de onwil van ons hart, dat Hij ons land bedreigt en ons geestelijk voedsel gaat inkorten, en dat Hij de inleidende tekenen geeft van Zijn naderend vertrek. Zijn wij zelf niet ziek vanwege onze onwil? Wij klagen over de verdorvenheid en magere gestalte van onze ziel. En aan wie anders dan aan onze onwil hebben wij dit te wijten? Wij zouden veel méer kunnen toenemen dan nu het geval is. En wat anders belet dit, dan onze onwil? Hoe komt het, dat sommigen onder ons verachteren in de genade, dan daarom, dat wij weigeren de wacht te houden, dat wij niet bidden, dat wij niet voortdurend aan de genadetroon te vinden zijn? Deze, ja deze onze onwil, mijne broeders, is de reden, waarom God zo getergd is jegens ons. O, laten wij onszelf aansporen en deze onwil afschudden, opdat de toorn niet uitbarste en er geen helpen aan is. Want wanneer iemands dienstknecht onwillig is, dat is erg, maar wanneer iemands kind tegenstreeft, voorwaar, dat vertoornt de vader.

AMEN