Gratis verzending vanaf 2 exemplaren!

Geliefden in den Heere!

Wij moeten in deze gelijkenis op twee dingen letten:

  1. Op het verband daarvan met de voorafgaande woorden.
  2. Op de inhoud en het doel van de woorden van Christus daarin.

Op het verband daarvan met de voorafgaande woorden.

De Heere zit aan een maaltijd waar hij is genodigd en geeft onderwijs welk soort gasten zij niet moeten nodigen voor hun maaltijden: “En Hij zeide ook tot dengene die Hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broeders, noch uw magen, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelve u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding geschiede.” Hij  toont vervolgens aan welk soort van gasten zij wel tot hun maaltijden moeten nodigen, namelijk, de armen en nooddruftigen; en de Heere zou het hun vergelden in de opstanding der rechtvaardigen. Waarop een van degenen, die met Hem aanzaten, (of het een Farizeeër was, of niet, is onzeker) tot Hem zeide: „Zalig is hij, die brood eet in het koninkrijk Gods.”

De reactie van Christus hierop wil ons leren dat velen van hen die wel gelukzalig worden genoemd en worden geachte deel te hebben aan het koninkrijk Gods, het toch niet menen. Velen van hen zullen breed uitwijden over het koninkrijk der hemelen, en over de waardij van Christus. Maar wanneer het komt tot de vraag: wat wilt u om Christus verlaten? Wilt u uw eigendom en uw landerijen om Christus verlaten? Wilt u uw pas getrouwde vrouw, en uw kinderen om Christus verlaten? Dan blijven velen  staan, en hebben op alles wat af te dingen. Wij zijn allen goede christenen zolang wij niet beproefd worden. Wij hebben dikwijls een schone belijdenis, terwijl wij in de praktijk alles bederven.

Velen handelen met Jezus Christus evenals de kijkers op een grote jaarmarkt; zij bekijken alles wat daar te koop is, prijzen alles wat zij zien, maar openen nooit hun portemonnee om iets te kopen. Zo zijn er velen, die kunnen zeggen: Het is goed een Christen te zijn; zij roepen overluid O! de Zone Gods is de hele wereld waard; maar zij hebben nooit een stuiver voor de zaak van Christus over, zij willen voor Hem geen strookje land missen, noch een os voor Hem verliezen. Zij willen liever hun onsterfelijke ziel dan hun goederen verliezen. U allen, die nu zo met ophef over Christus kunt spreken, ziet eens wat u voor Hem zult willen verliezen wanneer er vervolging komt. O zeker! de Heere Jezus heeft veel vrienden, maar velen van hen zullen in de grond slechts valse vrienden en vleiers blijken. Zij zullen goed van Hem spréken, maar willen niets goeds voor Hem dóén. Weinigen verlaten hun netten en inkomsten voor Hem. Maar de man, die deze Parel van grote waarde vindt, verkoopt alles wat hij heeft voor Hem.

De man hier aan de tafel bij de Heere Jezus zegt: Zalig zijn zij, die grote trek hebben om met Jezus Christus te eten. Dit doet ons zien, dat velen, die zelf een ongezonde maag hebben, hen zalig noemen, die brood eten met Christus, alsof het uit wezenlijke honger was. Terwijl het slechts als de honger van een zieke is, die om spijze roept, maar zodra zij die geproefd hebben heeft hun maag er een afkeer van, en zij spuwen het uit. Velen hebben een dergelijke honger naar Christus, wanneer zij aan de Tafel komen hebben zij spoedig genoeg van Hem. Bíleam kon zeggen: „Hoe goed zijn uw tenten, Jacob! uw woningen, Israël.” En toch wilde hij voor de tenten van Jacob de gunst van de koning van Moab niet verliezen. De geringe koningen van deze wereld worden dikwijls gehoorzaamd ten koste van ongehoorzaamheid aan de grote Koning des hemels.

  1. Ik zal nu op de bijzonderheden van de gelijkenis ingaan.

Het doel daarvan is aan te tonen, dat weinigen het Evangelie van Christus gehoorzamen, dat voorgesteld wordt onder de gelijkenis van iemand, die een groot avondmaal bereidde en er velen nodigde, die echter weigerden te komen. De delen der gelijkenis zijn deze.

  1. De toebereiding van het avondmaal: „Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.”
  2. De nodiging der gasten: „Komt, want alle dingen zijn nu gereed.”
  3. Hun weigering: „Zij begonnen allen eendrachtiglijk zich te verontschuldigen.”
  4. De komst van de dienstknecht, die deze dingen zijn heer boodschapte.
  5. De Heere volgt een tweede weg om Zijn tafel vol te krijgen, ofschoon zij, die eerst genodigd waren, weigerden; want Hij wil Zijn avondmaal niet missen.
  6. En dan hebben wij het vonnis, dat de Heere uitspreekt over hen, die zich verontschuldigen en weigeren.

Een zeker mens bereidde een groot avondmaal. De Heere biedt hier in het Evangelie Zijn genade aan, en wordt vergeleken bij een mens. Dit toont ons de goedertierenheid Gods in het Evangelie. Hij maakt Zich aan ons bekend als een mens, een vriend, die ons een maaltijd aanbiedt.

Gemeente, dit moet ons wel opwekken: God gedraagt Zich jegens ons als een mens en een vriend, en Hij heeft ons nu al die jaren dat u in de Kerk bent  geweest, door Zijn Woord maaltijden bereid; Wat heeft u dat gebracht? Ik verzeker u, dat het er aan toe is, dat de Heere de tafel zal wegnemen. Men is gewoon de tafel te verwijderen, wanneer allen verzadigd zijn en niet meer kunnen eten. Velen van ons walgen nu van het Evangelie, en het Woord van God wordt door velen veracht. Vroeger was het Woord u nog lieflijk, waren er nog hongerige gasten; nu wordt het door velen geringschat. Ik zie, dat de mensen in slaap gevallen zijn. Ik vrees geliefden, u kunt er van denken wat u wilt, ik vrees, dat het Woord van u zal worden weggenomen, het brood weggenomen zal worden, en dat de plaag des Heeren er op zal volgen zoals de Heere sprak tot Amos: „Het einde is gekomen over Mijn volk Israël, Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.” Als Hij weggaat zal er een hongersnood komen van het Woord Gods.

Het tweede deel der gelijkenis is des Heeren nodiging van de gasten: Komt, want alle dingen zijn nu gereed. Hier vinden wij de volgende drie dingen voor onze aandacht:

Ten 1e  De boodschap van God aan Zijn dienaars, om te verzoeken: Komt.
Ten 2e  De tijd waarop zij uitgezonden worden: het is de tijd van het avondmaal.
Ten 3e  De reden waarom zijn uitgezonden worden: Alle dingen zijn nu gereed.

Ik zal deze punten slechts aanstippen en de woorden kort nagaan. De Heere nodigt ons tot een maaltijd, een groot avondmaal. Het hardste woord, dat het Evangelie tot zondaren spreekt is: komt! Zijn woorden druppen van de liefde: ‘Mijn lieve vrienden, Ik zal Mij als uw gelijke aanstellen, als u wilt komen en avondmaal met Mij houden.’ Gewis geliefden, onze Heere had Zijn avondmaal voor Zich alleen kunnen houden, de Engelen zijn goed gezelschap. Maar de Heere is van gedachte, dat Hem gezelschap ontbreekt indien de kinderen der mensen niet bij Hem zijn. De Wijsheid, dat is Christus, zegt: (Spr. 8 vers 31) „Ik was bij God spelende en Mij vermakende met de mensenkinderen.” Gemeente, hier en nu nodigt waarlijk de Liefde Zelf, de Heere, ons om het Evangelie te omhelzen! Hij vergelijkt het, om tot ons af te dalen, bij een groot avondmaal.

O! Barmhartige God! U kon ons op straffe van de verdoemenis gebieden te komen en in de Uw Zoon te geloven. Maar hier horen wij niet één woord daarvan. De Heere wil ons nodigen om ons in het koninkrijk der hemelen te doen komen: dit is evangelie! Het eerste woord, dat het Evangelie spreekt is goedertierenheid, goedertierenheid over arme zondaren. De woorden die de sleutel vormen waarmee Christus, de Man, het hart van Zijn Kerk opent is: „Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duif, Mijn volmaakte, want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.” Hij had kunnen zeggen: ‘Wee u, gij hebt Mij de deur gewezen en een vreemde minnaar in Mijn plaats genomen. Ik zal u verlaten, Ik zal in een andere plaats gaan vrijen. Ik keer Mijn hand van u af, Ik zal u nooit meer aanzien.’ Maar nee, Zijn hardste slag is: Lieve duif, liefste, schone, Ik ben nat en vermoeid, laat Mij niet de ganse nacht op de straat liggen. „Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de Heere”, „Want Ik heb u getrouwd”; Ik ben uw Man. Wel geliefden, dit is de liefdesstem van het Evangelie: „Komt herwaarts tot Mij, die vermoeid en belast zijt.”

Maar geliefden, deze stem zal niet altijd duren. In die dag wanneer de hemelen zullen wegwijken als een boek, dat toegerold wordt, en de elementen brandend zullen vergaan, en de goddelozen zullen roepen tot de bergen en tot de steenrotsen: „Valt op ons en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op de troon zit, en van de toorn des Lams; want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie zal bestaan?” Dán zal er geen woord worden gehoord over een avondmaal. Dan zal er geen nodiging meer zijn. Helaas! dan zal de tafel weggenomen zijn, en God zal niet meer om uw gezelschap geven.

Ten 2e spreken we over de tijd waarop zij uitgezonden worden. De dienstknecht wordt ten tijde van het avondmaal uitgezonden, als de nacht nabij is en het de tijd is om naar bed te gaan. De dag van Gods goedertierenheid is bijna ten einde, het is een avondmaalstijd, de avondstond is daar, het ondergaan der zon is nabij. Zolang  heeft het Evangelie gesproken, en het roept ook in deze laatste uren van de genadedag nog altijd: ‘komt, welkom, welkom, zondaren; u zult welkom zijn aan het avondmaal des Heeren!’ O wat bent u laat, wat bent u laat.

En toch, wij zullen even welkom zijn als wij midden onder het avondmaal inkomen als zij, die omtrent de zesde en de negende ure van de dag in de wijngaard des Heeren kwamen. Ja zelfs als u komt tegen dat de tafel wordt afgeruimd, evenals de moordenaar, die aan de rechterkant van Christus stierf, dan komt u aan het dessert. Maar geliefden, ik bid u, pas op, dat u niet evenals de dwaze maagden, ná het avondmaal komt, wanneer de tafel weggenomen, de heer des huizes naar bed, en de deur gesloten is. Gedenkt, dat het nu de tijd van het avondmaal is, terwijl het Woord gepredikt en het sacrament van het lichaam en het bloed des Heeren wordt aangeboden. Welgelukzalig zijn zij, die tot het avondmaal komen, maar wee hen, die nakomen, want zij zullen in hunner graven neerliggen, zonder dat zij aan de avondmaaltijd hebben aangezeten

O! wat zijn er velen in de wereld te laat, die hun zielen verkopen voor de zonde. Maar wat is dat te bejammeren, want wat kunnen zij in ruil voor hun zielen geven? Een mens, die het water moet oversteken, zal zich op de eerste aanmaning van de zeelieden haasten, omdat hij weet, dat de vloed niet op hem zal wachten. En toch willen nu de mensen, – die belijden dat zij naar Kanaän willen overvaren, op de stem van de scheepslieden des Heeren, die roepen: komt, het is nu vloed! – niet komen, maar zij laten de zee ebben en zitten stil.

Wees er toch beducht op: dit is een list van de duivel, dat hij, als wij de ene voet op de wal en de andere op het schip der genade hebben, en voornemens zijn van onze zonden weg te varen, hij eerst altijd nog iets heeft te zeggen. Hij verzoekt steeds om nóg een nacht te blijven. Nadat wij een jaar in de dienst van de duivel zijn gebleven, zal hij er bij ons op aandringen, dat wij nog een jaar blijven, belovende, dat hij ons dan zal laten gaan. O, dat wij zo wijs waren om onze ogen en oren te sluiten voor deze duivelse adviezen tot uitstel, en nu, in de korte laatste tijd van het Evangelie, terwijl de tafel gedekt is, de nodiging tot het avondmaal des Heeren wilden aannemen. De Heere zegt: „Wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange, en de nacht komt waarin niemand werken kan.” De nacht is op handen, waarin het Evangelie zal worden weggenomen, welgelukzalig zijn zij, die intijds aan het avondmaal aanzitten.

De derde bijzonderheid is, de reden waarom zij moesten komen: Want alle dingen zijn gereed. „De opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft haar zeven pilaren gehouwen. Zij heeft haar slachtvee geslacht, zij heeft hare wijn gemengd”, en alle dingen zijn gereed, komt tot de bruiloft. Zo wordt u barmhartigheid aangeboden, terwijl God u alle uiterlijke middelen, zoals het Woord en de sacramenten, gereed maakte. Zodat Hij zeggen moet: „Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb. Zodat gezegd moet worden dat Hij Zijn handen heeft uitgebreid de ganse dag tot een wederstrevig volk. „De Opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten, zij verheft haar stem op de straten.” Hier roept God overluid met uitgebreide armen. Hij roept al wenende. Opdat zij zich bekeerden en leefden. Maar gelijk het waar is ten opzichte van de Joden, is het ook waar voor ons. Hij heeft Zelf het gehele avondmaal bereid, de tafel gedekt en voor ons is er niets meer te doen, dan dat wij gaan aanzitten en eten. En als wij dit toebereide Avondmaal aanschouwen, dan moeten wij zeggen: dat heeft Christus Zelf geheel bereid in de oven van Gods toorn. Het brood, dat wij hier eten is Zijn vlees, dat Hij heeft gegeven voor het leven der Kerk. De wijn, die gemengd en ingeschonken is, is Zijn bloed. O vrienden, was onze Heere niet vurig in het gereedmaken van dit avondmaal? Niet één gerecht is verkeerd bereid, alles wordt ons in het Evangelie voorgezet, en Jezus eist niet meer als antwoord op al Zijn moeite: dan alleen, dat Zijn vrienden tot het feestmaal komen, en eten, en vrolijk zijn. En als u wilt komen, Christus zal al de kosten betalen.

Toen de Israëlieten met manna werden gespijzigd moesten zij nog buiten de legerplaats gaan en het zelf vergaderen. Maar wij brengen helemáál niets toe aan dit avondmaal. Gode zij dank, Christus draagt alle kosten. Helaas! Helaas, dat er zovelen in deze ongelukkige wereld niet willen eten, nu Christus alles betaalt! De arme kinderen van Adam zijn zo krank en op het punt van te sterven, en hun magen zijn zo bedorven van  de zure vrucht die Adam heeft gegeten, dat zij uitgehongerd zijn en niets meer tot werkelijke verzadiging kunnen eten. Maar Jezus komt in, en bereidt een geneeskrachtige maaltijd van Zijn eigen vlees en bloed. Hij legt Zich neer en wordt geslacht om een geneesmiddel voor ons te zijn met Zijn gekruisigd lichaam, opdat wij genezen zouden worden. O! Die alléén sterven van de honger die van deze spijze walgen. In het sacrament zijn alle dingen gereed, alles wat de ziel nodig heeft zal zij aan de tafel vinden. Alle hongerigen zullen ondervinden, dat Christus spijs en drank is. En voor de armen en berooiden is Hij Goud; voor de naakten is Hij Kleding; voor de blinden is Hij het Licht der ogen, zeggende: „Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalft uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.” Beschouw dit bereide avondmaal, en u zult gewaar worden, dat het Christus zeer duur is komen te staan, want het vuur waarop het bereid is, was de toorn Gods. Het brandhout en het offer was Christus met een grote last van de zonden der uitverkorenen op Zijn rug. Indien Jezus geen groen hout was geweest zou Hij geheel tot as verbrand zijn. Christus werd eerst in Zijn eigen bloed gekookt in de hof van Gethsémané. Toen werd Hij op het kruis gebraden en geroosterd, en met nagels, speren en slagen geheel aan stukken gesneden, om Hem Gods brood te maken voor de monden en magen der gelovigen. En de bitterste saus in dit Avondmaal was voor Christus, dat Zijn geliefde Vader zich voor Hem verborg. En nu dit alles geschiedt is, kunt u hem geen slechtere dienst bewijzen, dan niet van harte te eten. Nu, om ’s Heeren wil, geliefden, doet de goede Heere des huizes genoegen, en eet, en wees welkom. De laatste wijn zal de beste zijn. Wat wilt u hebben? Hier is aangenaam gezelschap, eet, u bent hartelijk welkom. U noemt dat toch een welvoorziene dis die door voorname dienaars bereid is? Op deze tafel staat geen schotel, die door Engelen bereid is, veel minder door mensen. Nee, het bloed van Christus is in de schotel, het vlees van Christus in elk gerecht, en de verdienste van Christus is een heerlijke saus bij alle spijzen.

Zo hebben we het tweede deel der gelijkenis bezien en daarin drie zaken onderscheiden:

Ten 1e  De boodschap van God aan Zijn dienaars, die geroepen waren te verzoeken: Komt.
Ten 2e  De tijd waarop zij uitgezonden worden: het is de tijd van het avondmaal.
Ten 3e  De reden waarom zijn uitgezonden worden: Alle dingen zijn nu gereed.

Laat ons nu bezien wat de reactie is van de genodigden

En zij begonnen allen eendrachtiglijk zich te verontschuldigen. Het verstand zou toch menen, dat, wanneer de Heere een groot avondmaal voor de wereld bereidt, zij dan allen graag zouden komen, om bij Hem het maal te gebruiken. Dat zij allen hard zouden lopen, wedijverende wie het eerste aan de tafel zou zijn, en het dichtste bij de Heere. Maar nee, zo is het hier niet; want er zijn drie soorten van mensen, die eendrachtig weigeren te komen.

De eerste zegt: Ik heb een akker gekocht.

De tweede zegt: Ik heb vijf juk ossen gekocht.

En de derde zegt: Ik heb een vrouw getrouwd.

De eerste soort wordt tegengehouden door eerzucht. De tweede soort door rijkdom en de derde soort door genot en begeerlijkheid. En, zegt onze Heere, zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. U moet hier twee dingen overwegen. Ten eerste (1) de weigering der gasten. Ten tweede (2) het aantal weigeraars, namelijk allen eendrachtiglijk.

(1) Wat de eersten betreft, het schijnt inderdaad wonderlijk, dat onder al de drie soorten mensen niet één gevonden werd, die ook maar een os voor Christus wilde loslaten. Kan de Heere ze dan niet allen inbrengen aan het avondmaal? Ik antwoord. Hij kan dat doen maar wij moeten hier één van de diepste verborgenheden van de raad Gods beschouwen:  „Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.” Er is een tweeërlei roeping. De eerste is een uitwendige roeping waardoor God mensen roept, terwijl die niet gehoorzamen: Hier worden velen tot het avondmaal geroepen, maar weinigen komen. Ten tweede is er een inwendige roeping, waarvan de apostel spreekt „En die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd.” Beschouwt u de uitwendige roeping Gods ten opzichte van het Woord en de sacramenten, dan verplicht deze roeping de mensen wel, die met handen en voeten met de ketenen des satans gebonden zijn, maar deze roeping maakt hen niet los; toch gebied Hij hen zichzelf los te maken, gelijk zij verplicht zijn te doen omdat deze gehoorzaamheid een schuld is, die de verworpenen, omdat zij Gods schepselen zijn, Hem schuldig zijn. Waarom zou niet de grote Schepper en Heere van het heelal, van Zijn schuldenaars en bankroetiers eisen wat zij schuldig zijn, al hebben zij door hun eigen schuld niets om te betalen? Daarom roept de Heere beiden toe, dezulken, die krachtdadig geroepen worden, en degenen, die geen genade krijgen, om te gehoorzamen: ‘schuldenaar, betaal wat gij schuldig zijt, of anders gaat u naar de gevangenis.’ Omdat God hen niet tot de zaligheid heeft uitverkoren, zo laat Hij hen met die boodschap gaan: ‘betalen of sterven.’ Maar zij blijven gewillig en gerust liggen, niet anders begerende dan in de armen des satans te leven en te sterven.

Er is ook een inwendige roeping, door welke God niet alleen door zijn Woord roept om slapende zondaren wakker te maken; maar ook door Zijn Geest inwendig het leven Gods in hen blaast, en hen op hun voeten zet. Van deze inwendig geroepenen wordt gezegd, dat zij van de Vader aan de Zoon zijn gegeven, en dat de Zoon ze aanneemt en bewaart. Dit is een wonderlijke inwendige roeping. De Vader eist de schuld van ons, en zegt: ‘betaal, en gehoorzaam Mijn roeping, gelijk u verplicht zijt.’ En de Zoon komt in, door Zijn Geest, en stopt heimelijk de bedrag, namelijk de prijs der gehoorzaamheid, in onze handen, en zegt: ‘omdat Mijn Naam in het verdrag staat, tussen de Vader en u, zal Ik u geven wat u Mijn Vader moet betalen, en u zal niets ontbreken.’ Zodat de uitverkorenen, al zijn zij schuldenaars, een goede Vriend hebben, die voor hen betaalt. Er is in deze roeping een grote verborgenheid: God roept ons en Hijzelf antwoordt in onze harten. In een goede zin genomen, is deze roeping een roepen van Zijn eigen Geest in ons, en wij antwoorden door diezelfde Geest, die in ons woont. De Vader roept: ‘Komt tot het avondmaal, Mijn uitverkoren volk!’ En de Zoon antwoordt door Zijn Geest in onze harten: ‘Mijn Vader, zie wij komen.’

In het Woord Gods wordt deze roeping een kloppen aan de deur onzer harten genoemd, om toegang te verkrijgen om in te komen en met ons avondmaal te houden. Op de ene tijd klopt de Heere van buiten om binnen gelaten te worden, en op een andere tijd doet Hij van binnen zélf de deur open; van buiten kloppende, en van binnen trekkende. Dat dit schriftuurlijk is kunnen wij zien in Hand. 16 : 14. Paulus predikt tot het hart van Lydia. Zie nu, daar roept en klopt God van buiten door het Woord. En zie, in datzelfde vers staat: „Welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.” Gode zij dank, God eist en Hij bidt voor ons. Terwijl God roept: ‘Doe open, klopt Hij met Zijn ene arm buiten aan de deur, en met de andere arm schuift Hij van binnen de grendel weg en maakt Zichzelf woning. God is Zijn eigen kwartiermaker. Hij maakt Zijn eigen bed op, bereidt Zijn eigen avondmaal, maakt Zelf Zijn kamer in orde, en doet Zelf alles wanneer Hij komt. Van ons heeft Hij niets nodig, het ganse meubilair is van Hemzelf, Hij brengt alles mee. Zo houden de grond en oorzaak van deze roeping, en de liefelijke verkiezing, gelijke tred. De verkiezing is het geschrift en het besluit van de Koning, waarbij zulke personen bij hun namen tot het koninkrijk Gods verordineerd zijn. En de krachtdadige roeping is de arrestatie en gevangenzetting, volgende op datzelfde geschrift, waarbij zij, die in de rol en de naamlijst zijn ingeschreven, door het Woord tot genade en heerlijkheid worden geroepen. Wanneer zij het bevel des Konings met geweld tegenstaan trekt de Vader hen en de Zoon neemt hen in Zijn armen. Dan rijdt Hij op het witte paard van het Evangelie en schiet de pijl van het onweerstaanbaar Woord van God in de harten van Gods uitverkorenen, zodat zij moeten gehoorzamen. En uit kracht van het besluit des Vaders, worden zij de gevangenen des Heeren, die vrijgekocht en gekocht zijn. Dus heeft de Zoon het recht om de uitverkorenen te arresteren; de Vader geeft hen aan de Zoon, en Hij zal ze niet missen. De Geest des Vaders trekt ons tot de Zoon; want wat Christus van de Vader heeft ontvangen, omdat Hij er met Zijn eigen bloed voor betaald heeft, is het Zijne.

Uit deze leer maken wij de volgende opmerking: Dat het uitwendig middel van het Woord, zonder de inwendige werking des Geestes ons niet tot het avondmaal des Konings zal brengen. Hier worden velen geroepen, maar zij verontschuldigen zich, dat zij niet kunnen komen, omdat zij het te druk hebben met hun andere bezigheden. Dit moest ons leren het Woord aan te kleven, maar bovendien bij het gebruik van het Woord te roepen om de inwendige genade des Geestes.

(2) Het tweede punt is het aantal weigeraars. De Heere zegt: Zij begonnen zich eendrachtig te verontschuldigen. Let hier op, dat het aantal groot is: „alle vlees heeft zijn weg verdorven op de aarde.” In de dagen van Achab was er maar één oprechte Micha, terwijl er vierhonderd deugnieten waren. Abraham durfde niet bevestigen, dat er vijf rechtvaardigen in vijf grote steden waren. De verlaten Waarheid staat hier alleen; zij heeft maar een klein gevolg.

(3) het derde punt is de verontschuldiging. Wat is de bedoeling van de verontschuldiging? De genodigden komen openbaar dat ze de Heer die de nodiging doet uitgaan niet kennen hoewel ze doen alsof. Zij zeggen tegen de dienaren van de Heer als het ware: ‘Ik bid u, zeg God, dat ik Hem lief heb, dat ik Zijn avondmaal hoogacht en graag in Zijn gezelschap ben, maar zeg, bid ik u, houd mij voor verontschuldigd; want mijn akker, mijn vijf juk ossen, en mijn vrouw heb ik liever dan U.’ Nee, als de genodigden Christus echt zouden kennen, zouden zij zeggen: ‘Wee die akker, wee die ossen, wee dat genot, dat Christus en mij zo lange tijd gescheiden heeft gehouden.’ Zo niet bij deze genodigden. Hoewel zij weigeren tot het avondmaal te komen, toch brengen zij een schone verontschuldiging bij de Heere in en zij bidden Hem, om hen voor verontschuldigd te houden. Dat leert ons wie wij zijn gemeente: Wij begaan geen zonde die wij niet zoeken te vermommen. De duivel heeft de mensen geleerd hun zonde met een nieuwe naam te dopen, opdat zij niet zo verschrikkelijk zullen lijken. Het vermoorden van de Zoon van God wordt onder een schoon voorwendsel door een vergadering van geestelijken gedaan: „Wij hebben een wet en naar onze wet moet Hij sterven.” Afgoderij wordt nederig knielen genoemd. Het moorden van Herodes wordt de wijzen uit het oosten als aanbidden aangekondigd. Het doden der heiligen gaat bij Saulus onder de naam van Gode een dienst te doen. De duivel komt tot niemand, zeggende: ‘Ik ben de duivel, hoor naar mijn raad, en ik zal u in de hel trekken.’ Geenszins, zo dwaas is hij niet. Hij verandert zich in een Engel des lichts en noemt het kwade goed en het goede kwaad. Zalig zijn zij, die in de wijsheid van Gods Geest de duivel en de zonde het masker kunnen aftrekken. Die zien, dat de duivel een duivel, en de zonde zónde is.

Maar geliefden, indien God een plicht gebiedt behoort geen verontschuldiging in de wereld uw ongehoorzaamheid te dekken. Helaas! Welke verontschuldiging kunnen zij hebben, om van het koninkrijk der hemelen weg te blijven? Welke om Jezus Christus de Gekruisigde af te wijzen? Hoe kan de satan zoveel ingang in het hart der mensen vinden, dat hij hen in Gods aangezicht doet zeggen: ‘Houd mij voor verontschuldigd? Heere, ik kan niet in de hemel komen. Houd mij voor verontschuldigd, ik kan niet in Christus geloven, want ik heb wel wat anders te doen.’ Wat een afschuwelijke ondankbaarheid is hier! God biedt een hemelse erfenis; maar zij wijzen God af en veronachtzamen de aanbieding van Christus. Ik heb vijf juk ossen gekocht zeggen zij! Ach, zal werkelijk een juk ossen met Christus in de weegschaal worden gelegd? Wee hunner!

O, hoeveel Ezau’s zijn er in de wereld, die hun hemelse erfenis voor een schotel moes verkopen. Sinds de dag, dat Adam van de verboden boom heeft gegeten, is de smaak van onze ziel zo bedorven, dat wij het zoete zuur noemen en het zure als zoet aanmerken. Jezus Christus is smakeloos in de mond van de wereld. Geef Bíleam het goud van de koning van Moab, en hoeveel schone woorden hij ook spreekt, hij zoekt geen andere hemel. Laat Jerobeam het koninkrijk maar houden en hij bekommert zich niet om de dienst van God. Zo is het nu in onze kerk ook. Geef de mensen een akker en vijf juk ossen, en zij zullen met elke godsdienst instemmen, hetzij die Arminiaans of Paaps is. Geef de krijgsknechten de rok van Christus, en het is hun genoeg; zij zullen Zijn bloed storten en Hem zijn leven ontnemen. Een dronk uit de put van Jacob, is de Samaritaanse vrouw beter dan Christus, het Water des levens. Een zwijn is voor de Gadarenen beter dan Christus. Er is in de harten van de mensen geen behoefte meer aan omgang met Christus. Hij is uit de mode geraakt, er wordt niet meer naar Hem gevraagd. De hemel, die wij willen hebben, is een hemel, die wij met onze ogen kunnen zien en met onze handen tasten.

Gemeente, wat is het, dat de mensen uit de hemel houdt? Een stukje grond, een dorp, een stalletje waar tien ossen kunnen staan. ‘O Heere God, zeggen zij: was Christus maar voor geld te koop; maar Hij is zo duur.’ Het is een gevaarlijke zaak, de wereld eenmaal in het hart in te laten. Indien u de wereld liefhebt en aan haar getrouwd bent, zegt dan Christus maar vaarwel. De wereld is als een groot vuur. Wanneer een koud mens op een redelijke afstand staat, verwarmt en verkwikt het hem, maar als hij er te dicht bij komt brandt het hem. Zij, die er zich midden in begeven, worden daardoor verslonden en gaan voor eeuwig verloren. Och, wat hebben de arme wereldlingen toch een armzalige hemel. Dit wordt in Lukas 16 beschreven in de persoon van de rijke man, die gekleed was in purper en fijn lijnwaad, levende alle dagen vrolijk en prachtig. Is dat hun hemel? Spijze en klederen! Zo is het inderdaad. Arme mensen, zij krijgen vijf juk ossen en een boerderijtje. God weet het, het is maar een jammerlijke schrale portie!

Weer een ander is die handelaar, die een juk ossen heeft gekocht. Ach! Ik raad u dan besteedt uw geld niet voor wat u slechts kunt zien, maar koopt iets, dat u kunt zien, horen en tasten. Koopt dan Jezus Christus! Hem kunt u zien, horen en tasten! Laat uw zielen met Hem gemeenzaam omgaan en Hem genieten. Vertrouw op Hem en klaagt Hem uw leed. U kunt nooit de wereld tot de uwe maken, maar u moet alles aan de mond van het graf achterlaten, en als een naakte worm daarin kruipen, die een beetje slijm achterlaat aan de opening van het gat daar hij in gekropen is. Maar u mag Christus in het graf met u meenemen. U mag Hem meenemen naar de hemel. U mag Hem meenemen om u te verdedigen en voor u te spreken in het laatste oordeel. Ik heb een akker gekocht zegt gij, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie. Ik heb een juk ossen gekocht, en die moet ik gaan beproeven. O, dwazen die gij zijt.

De dwaze wereldlingen kopen de wereld, voordat zij haar eerst goed hebben bezien. De duivel is een bedrieglijke koopman, die zijn waren, die vervalst zijn, niet in het volle licht wil open leggen. De duivel weet toch, dat, als een mens de wereld zag met de smarten, de ellenden, en de toorn Gods, die hen boven het hoofd hangen als zij zich aan de liefde tot de wereld overgeven, zij hem nooit zouden begunstigen. Maar de kopen van de duivel zijn blinde kopen. Hij verkoopt bij gissing, en de dwazen der wereld kopen op de gis af, en van horen zeggen, en zodoende verbergt hij het einde. O, dat de mensen de binnenkant wilden bezien van eerzucht, gierigheid en wereldliefde, zij zouden dan het woord van Abner tot Joab niet vergeten: (2 Sam. 2 : 26) „Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn?” De duivel doet ons de zonde kopen, voordat wij de koopwaar eten. Judas kocht een kwade consciëntie, voordat hij de strop zag. De jongeling (Spr. 7) zag de vreemde vrouw, voordat hij haar woning zag, welke de ingang der hel is. Dwaze zielen zetten zich onder de schuld der zonde, zij geven maar uit, en komen hoe langer hoe dieper onder de schuld, totdat de betaaldag komt, en dan geeft God hun een rekening in handen, die zij met betraande ogen moeten lezen en goedkeuren.

Een derde verontschuldigt zich zeggende: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. De derde persoon in de drieëenheid der wereld is de ongeregelde begeerlijkheid. Deze, dit kunt u uit de woorden afleiden, is inderdaad de machtigste god van de drie. De twee anderen verontschuldigden zich, dat zij wat moesten doen, maar die de derde god aanbidt, zegt: Ik kan niet komen. De beide anderen zeiden in een voorgewende nederigheid: ‘Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.’ Maar de derde zeide onvoorwaardelijk: Ik kan niet komen. Zo zien wij, dat vleselijk genot een gevaarlijkere verzoeking is dan eer of voordeel. Wacht u voor de liefde tot genot en ongeregelde lust. Wat de mensen eer en profijt doet najagen is genot, eigenliefde en zichzelf te behagen. Men zoekt voordeel om genot; zodat genot het gewone aas van de duivel is, dat hij aan al de hoeken van zijn netten doet. Zelfs de zonde tegen de Heilige Geest, die er voor de natuur het doornigste uitziet, weet de satan een vermakelijk uitzicht te geven. Want in een soort van hels vermaak spuwen zij de zeer bevallige en schone Zoon Gods in het aangezicht.

Ik mag wel zeggen, dat genot of plezier de liefste aanpak van de duivel is, Dit moest ons leren, dat wij naar doding moeten streven. Want wanneer de apostel over deze zonde, de begeerlijkheid des vleses, spreekt, zegt hij dat zij tot het kruis gebracht en gekruisigd moet worden; de ogen, de oren en het hart van de oude mens moeten aan het kruis van Christus worden genageld. Wij zullen over deze zonde nooit de overwinning behalen, zolang wij niet ‘aan de wereld zijn gestorven’, en de nagels, die Christus hebben doorboord, door het hart, de ziel en het lichaam van de mens der zonde gaan. Doordat Jozef aan de begeerlijkheid des vleses gekruisigd was, zeide hij: “Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God.” Hij kon het niet doen omdat hij een ‘gestorven mens’ was. Zalig zijn zij, die van de liefde der wereld gespeend zijn.

In het vierde deel van de gelijkenis geeft de dienstknecht verslag van zijn ijver, en het werkt in de heer des huizes uit, dat het hem vertoornt. Zoals Matthéüs zegt: „Als nu de Koning dat hoorde, werd Hij toornig, en zijn krijgsheiren zendende heeft hij die doodslagers vernield, en hunne stad in brand gestoken.” De Heere slaat een andere weg in en wil, dat er geen gasten zullen ontbreken. Hij wil Zijn tafel vol hebben. Gods avondmaal zal niet vergeefs zijn uit gebrek aan eters. In het begin van deze gelijkenis was God als een mens; nu is Hij in een leeuw veranderd. Gemeente! Zijn eerste aanbod is goedertierenheid, Zijn eerste woord is: komt. Maar wanneer dat wordt afgewezen, is er voor dezulken niets anders dan verbranden en doodslaan. Die mensen behoeven God niet te berispen, dat Hij hun stad in brand steekt, want dat hun eigen schuld.

Wij kunnen ons voorstellen, dat de dienstknecht heeft geroepen: ‘Lieve vrienden en geliefde broeders, komt en houdt het avondmaal bij mijn Meester. Hij heeft reeds lang aan u gedacht, Hij wil niet gaan eten voordat u komt. Hij bemint en verlustigt Zich in uw gezelschap, u zult hartelijk welkom zijn en goed onthaald worden.’ Hoewel de dienstknecht zo sprak, toch heeft hij ongetwijfeld ook gezegd: ‘Indien u weigert te komen zal Gods toorn over u komen; u zult nooit Zijn Avondmaal smaken en u zult Hem zoeken, maar zult Hem niet vinden.’ God brengt niet onvoorziens een slag toe, en besluit niets in ’t geheim tegen dezulken, die het Evangelie ongehoorzaam zijn.

Gemeente, u wordt tweemaal of driemaal gedagvaard, en de straf op het niet verschijnen, is in de Schrift terneergesteld, het is niet onverwacht wanneer God Zijn toorn uitlaat. Nu roept het Evangelie in de oren der ondankbare wereld: „Die niet gelooft is alrede veroordeeld.” Die weigeren ten tijde van de avond in te komen, zullen na het avondmaal niet worden binnengelaten. O, het Evangelie doet veel schone aanbiedingen aan zondaren. De wet was zo anders, zij zegt: „Doe dit en gij zult leven.” Maar zij sprak maar eenmaal van leven. Want nadat de mens eenmaal had gezondigd had sprak zij nooit weer een woord van leven. Nee, al zou u rouwklagen en wenen tot u de ogen uit het hoofd vallen, de wet roept: ‘Ik wil van geen berouw horen, weg naar de hel met zulk een, onmiddellijk!’ Maar het tweede verbond, het genadeverbond,  zegt:  ‘Wat er ook gebeurd is, indien gij wilt wederkeren en u bekeert, zal de zonde uw verderf niet zijn.’ Onze tweede Man zegt: ‘u bent bij Mij welkom, al hebt u met vele boeleerders gehoereerd, keert nochtans weer tot Mij voordat het avondmaal geëindigd en de tafel afgeruimd is. Maar indien u de dag des Evangelies laat voorbijgaan, en een aangeboden Christus blijft afwijzen totdat het avondmaal is afgelopen, dan zal het Evangelie óók in een wet veranderen, en niet meer van bekering willen horen.’ En waarom dat? Wel, omdat er na het tweede verbond geen verbond meer is. Na dit Evangelie is er geen ander Evangelie; na het avondmaal van de bruiloft des Konings is er geen andere maaltijd meer. Nee, Christus kan niet wederom sterven. De dood en Hij zullen nooit weer bijeenkomen, de duivel zal Hem nooit weer onder het juk van het kruis krijgen. Ik zal het u in een vergelijking verklaren. Onze hemelse erfenis was in Adam, en door onze vrijwillige overtreding van de wet, verbeurd, maar onze oudste Broeder Jezus komt in en maakt een stuk op, waarin Hij Zichzelf aandient als de wettige erfgenaam van de erfenis, waarbij Hij de schuld, die op de erfenis rust, aflost, en alles vrij maakt, en ons weer in onze plaats herstelt. Het tweede verbond te ondertekenen houdt in het Evangelie te omhelzen, en precies op de tijd van het avondmaal, dat is in de dag des Evangelies, komen; terwijl het Woord nog tot ons spreekt, en het sacrament Christus aanbiedt, als de hoofdinhoud van de nieuwe overeenkomst met ons. Maar Christus heeft in het slot van de acte deze bepaling opgenomen, dat wij, als wij het erfgoed weer zullen verkopen, en opnieuw verpanden en met schuld bezwaren, het ons niet meer van dienst zal zijn dan een stuk onbeschreven papier. Want Christus zal niet voor de tweedemaal sterven, maar de toorn Gods zal dan op u blijven, en gij zijt alreeds veroordeeld. En van alle veroordelingen der goddelozen zal dit de zwaarste zijn, namelijk van hen, die het Evangelie horen en niet gehoorzamen. De acte van vrijmaking toch wordt hun aangeboden om die te ondertekenen, en zij weigeren er hun handtekening onder te zetten. Het zal de Turken, die nooit van dat verbond gehoord hebben, verdraaglijker zijn. Past er dan op, u die aan de tafel des Heeren zijt geweest, dat u niet te laat komt, maar dat u Christus op de tijd van het avondmaal ontmoet. Want u behoeft geen moeite meer te doen om Hem te zoeken als de nacht is ingegaan. Ziet dan toe, want indien iets het vonnis der verdoemenis in de dag des oordeels over u zal brengen, dan zal het dit zijn: ‘Ik heb aan Mijn avondmaal zolang op u gewacht, totdat de spijze bijna onbruikbaar en Mijn bloed koud begon te worden, maar uw hoogmoed deed u wegblijven, totdat de tafel was afgeruimd. Nu zult u Mijn avondmaal niet smaken, en die teleurstelling hebt u wel verdiend.’ De ganse twist zal zijn, dat wij niet met Hem wilden overeenkomen.

De Heere krijgt twee soorten gasten.

Een tweede uitwerking, die de boodschap van weigering, die de dienstknecht zijn Heer brengt heeft, is, dat hij zijn dienstknecht gebiedt, uit te gaan in de straten en wijken der stad, en de armen en blinden, en verminkten in te brengen. Zo ook, al zou de gehele wereld de genade Gods weigeren, kan God zich nog een gemeente verwekken van de stenen des velds. Wanneer de Joden niet tot het avondmaal des Heeren willen komen, kan Hij de tafel met de heidenen vol maken. Zij die geen volk zijn, worden tot een volk gemaakt, die niet ontfermd zijn, verkrijgen ontferming. U ziet, dat de Heere de deur lang open houdt. Hij sluit de deur voor niemand, Hij zet Zijn huis open zowel voor armen als voor rijken. Maar werkelijk, de armen en blinden en verminkten zullen aan de tafel zitten, wanneer de kinderen des koninkrijks buitengeworpen en de deur gesloten zal worden. Hier is werkelijk een beschrijving van het koninkrijk Gods. Het zijn armen, die van zichzelf geen rijkdom hebben, maar Jezus geeft hun fijn goud. Zij hebben geen benen om te gaan, zij zijn verminkt, enz. maar de Heere Jezus ondersteunt hen. Zij hebben geen hand om Christus vast te houden. Maar wat zou dat? Christus houdt hen stevig vast. Zij hebben geen ogen in hun hoofd, maar wat doet dat er toe? Jezus Christus leidt hen. Nu, het is waar wat Jezus zeide. Hij bewees dat toen Hij tot Zacheüs ging: „De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.” Menigten van misleide Christenen roepen uit: helaas, ik ben een zondaar en kan geen deel aan Christus hebben! Dwaas, als u een zondaar bent, dan bent u de man, of de vrouw, die Hij zoekt. Ik bid u: wat is de hemel? Niet anders dan een gezelschap van mensen, die zondaren waren, gebrokenen van hart, en er is niet een van al de kinderen van Adam, die voor de troon en het Lam staan, of hun aangezichten waren eens bezoedeld. Hoewel zij nu koningen zijn, waren zij eens slaven; in de hemel is geen mens edelman van geboorte. O, dit is een grote troost voor Adamskinderen, dat zij, die het geringst zijn in hun eigen ogen, het grootst zijn in de ogen Gods. Zijn roeping gaat over zuigelingen, terwijl wijzen en verstandigen worden voorbij gegaan. Zijn roeping komt tot tollenaars en zondaren, en gaat eigengerechtigden voorbij, tot hoeren en hoereerders, terwijl de kinderen des koninkrijks worden voorbijgegaan. Het onedele en het uitvaagsel der wereld wordt geroepen, en niet de onderzoeker dezer eeuw. Hoewel het kwaad is een zondaar te zijn, toch is het heerlijk één van Gods zondaars te zijn, die de Heere zal roepen. Wij zijn „geworpen op het vlakke des velds, vertreden zijnde in ons bloed; geen oog heeft medelijden over ons” (Ezech. 16 : 5). Zij, die in de straten lopen te bedelen, die niet de minste gedachte hebben, dat de Koning om hen dienaren zal zenden, zullen de nodiging verwelkomen wanneer zij komt.

En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats. Hier wordt geen woord gesproken over land kopen, ossen beproeven, en een vrouw trouwen. Maar er is onmiddellijke gehoorzaamheid: op het eerste woord komen zij tot het avondmaal des Konings. Wij zien hier, dat waar Gods Geest het Woord vergezelt, de genodigden niet anders kunnen dan tot het Avondmaal des Heeren komen. In het volgende vers geeft hij Zijn dienstknecht last hen te dwingen in te komen; waaruit men kan zien, dat er in de krachtdadige roeping van de kinderen Gods een soort van Goddelijk geweld wordt gebruikt. Wat was er een lange woordentwist tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw; zij geeft de Heere twee of drie smadelijke woorden, maar Hij wil haar niet missen noch loslaten, totdat Hij tot haar ziel zegt: „Ik ben het, Die met u spreekt.”

Zo roept de Heere ook ons toe: ‘Armen, verminkten en blinden, Ik heb u geroepen, en u zult de Mijnen zijn; Ik heb u genomen, en u zult genomen zijn.’ Ja, al zou een van de uitverkorenen naar de hel lopen, dan zal Hij hem volgen. O, Christus is zo snel in hen te volgen. Maar ach, de zondaars willen niet geleid worden, omdat de weg hun niet aanstaat. Maar dan zult u zien, dat de Vader en de Zoon hen trekken zullen, en hen dwingen zullen in te gaan. En als trekken hen niet overhaalt, dan zal Hij ze in Zijn armen nemen, en in Zijn schoot dragen; en op Zijn schouders nemen; en op Zijn hart drukken. Wat is de reden, dat Jezus niet een van de Zijnen zal missen? Daarvoor zijn de volgende drie reden:

  1. In die dag, toen de Heere Jezus voor de uitverkorenen stierf, kocht Hij hen met Zijn hartebloed. Met Zijn ziel betaalde Hij hun prijs en Hij achtte, dat zij Zijn leven waard waren. Nu, de Heere Jezus is de onveranderlijke God. U moet niet denken, dat God de uitverkorenen met Zijn bloed koopt, en dan berouw over de koop begint te krijgen.
  2. Jezus is de Almachtige. Waar Hij nu de uitverkorenen eenmaal als de Zijnen in bezit heeft genomen, wie zou dan Hem het Zijne kunnen ontrukken? Christus heeft het recht aan Zijn zijde, en de macht om de wet uit te voeren. Hij kan dan ook de Zijnen niet missen.
  3. De Vader heeft de uitverkorenen aan de Zoon gegeven, en Hij moet voor hen, man voor man, rekenschap afleggen aan de Vader.

Het laatste punt, dat wij kort ter afronding moeten overwegen, is het vonnis, dat de Heere over de weigeraars uitspreekt: Niemand van die mannen, die genood waren, zal Mijn avondmaal smaken.

Dat is een hard woord, want het wil werkelijk zeggen: zij zullen nooit deel aan Mijn Christus hebben; zij zullen nooit Mijn aangezicht zien. Die mensen weten nu niet wat God doet; zij zijn thuis op hun boerderij, bij hun ossen, bij de vrouw, die zij getrouwd hebben, en zij denken er in het minst niet aan dat God zulk een treurig vonnis over hen uitspreekt. Eli wist er weinig van wat de Heere deed toen Hij een droevig proces tegen hem en zijn huis voerde. Achab had er geen gedachte over wat God ging doen, toen hij de wijngaard van Naboth in bezit ging nemen, dat de Heere in het Hoogste Gerechtshof zijn doodsvonnis tegen hem uitvaardigde.

Gemeente! Het kan zijn, dat wij lachen, ons met spelen vermaken, en pret maken op aarde, terwijl in de hemel een droevig proces tegen ons gevoerd wordt. De verdervende Engel al opdracht heeft ontvangen om uit te gaan om ons te verderven. Gelukkig zijn zij, die weten hoe hun proces in de hemel voortgaat. U moet werkzaam zijn en beproeven, hoe het tussen God en uw zielen staat. Ik bid u, geliefden, wanneer u hard werkt op uw akkers, handel drijft, of u door vermaak ontspant, bidt tot God: Heere, hoe zal het met mij gaan in de oordeelsdag? En vraagt u mij: hoe zullen wij dat weten; want dat is voor ons verborgen? Wel, u moet tot mijn Heere, de Secretaris Jezus Christus gaan, en Hem bidden u mee te delen, en vanuit de hemel te schrijven, of uw zaak er goed voor staat. Zeg: ‘Heere Jezus, is er enige hoop, dat mijn proces goed zal aflopen?’ Velen, die een rechtzaak hebben zijn dikwijls met hun advocaat in de weer. Zij bidden of schrijven hem, of zenden hun vrienden naar hem toe om te vragen hoe het staat. Waarom zou u dan niet eveneens zo handelen met Christus? Amen.

Samuel Rutherford