Gratis verzending vanaf 2 exemplaren!

Jesaja 53: 1-4

“Wie zal onze prediking geloven en aan wien zal de arm des Heeren geopenbaard worden? Toch zal Hij als een rijsje voor Zijn aangezicht opkomen en als een wortel uit dorre aarde. Hij heeft geen gedaante noch heerlijkheid, en als wij Hem aanzagen, was er geen uitnemendheid om begeerd te worden. Hij is veracht geworden en verworpen onder de mensen, Man van smarten, wetend wat zwakheid is, zodat men Zijn aangezicht voor Hem met verachting zal verbergen en Hem niets achten. ‘Waarlijk, Hij heeft onze zwakheden gedragen” (vert. Calvijn)

Onze tekst begint met te behandelen, dat het Evangelie, hoewel het over heel de wereld moest worden bekend gemaakt, toch door het merendeel zeer slecht zou worden ontvangen. Dit heeft de profeet zo uitgesproken, opdat Gods kinderen niet in verwarring zouden komen als zij de ongelovigheid zouden zien van degenen van wie de oren wel getroffen worden door de leer der zaligheid, maar die haar toch niet wilden aannemen.

Want het is een vreemd ding, dat God mensen tot Zich roept, ja tracht te winnen op een niet te overtreffen vriendelijke en aangename manier, en dat toch de mensen zich van Hem afkeren en opzettelijk weigeren tot het heil te komen dat hun zo wordt aangeboden. Het lijkt iets onmogelijks, en toch zien wij het zo veel om ons heen. Daarom roept de profeet het uit, dat wanneer God als met trompetgeschal Zijn Evangelie bekendmaakt, er toch slechts een klein getal van gelovigen zal zijn.

De profeet voegt de reden er vervolgens ook bij. Namelijk dat God Zijn kracht moet openbaren om het geloof te geven aan de mens die van nature altijd ongelovig zal blijven. Wat is dan de oorzaak, dat, zoals wij zoveel om ons heen zien, velen het Evangelie verwerpen? Dat zovelen een afkeer van het evangelie hebben en tot de vreselijke daad komen dat zij liever die Goddelijke liefde bedroeven dan vreedzaam tot Hem naderen?

Maar gemeente, eerst moet de vraag gesteld worden waarom wij deze vragen stellen. Is het niet omdat wij zo vaak menen dat het geloof in de macht van de mens ligt en het ons daarom verbaast dat velen niet geloven? Maar de profeet toont ons hier aan, dat, hoewel God beveelt te geloven, en hoewel Zijn Woord aan allen bekend gemaakt wordt, aan goeden én aan bozen, dat Hij op een verborgen wijze dat geloof Zelf werkt in Zijn uitverkorenen.

Letten wij er dan op, dat wanneer het Evangelie gepredikt wordt, het slechts een ijdele klank zal zijn, totdat de Heere toont, dat Hij het is Die spreekt; want die weldaad bewijst Hij niet aan allen. Ziet dus dat deze kracht van God, welke voor de verworpenen verborgen blijft, een voorrecht is wat God aan weinigen bewijst, namelijk alleen aan hen die Hij heeft uitverkoren en aangenomen om te komen tot het eeuwige leven. Dit is de leer der zaligheid, ja een stellige waarheid, waaraan men zich moet houden.

Nu moeten wij versterkt en gewapend worden tegen de listen van de satan als hij ons voor ogen stelt dat zoveel mensen het Evangelie weerstaan. Want dan komt het ons voor als was het niet het Woord van de almachtige God. En waarom? Omdat wij teveel op de mensen zien en zo raakt ons geloof aan het wankelen. Daarom moeten wij de wereld overwinnen en verstaan dat, als God spreekt, wij ons aan Hem moeten onderwerpen. Ook al houdt niemand ons daarbij gezelschap en waren allen ons vijandig. Om dan toch niet na te laten aan te nemen in zuiverheid des geloofs, hetgeen God ons bekend maakt.

Daarom moeten wij niet te zeer verbaasd te zijn dat de mensen zoo verdorven zijn dat zij strijden tegen hun God. Tegen Hem Die hen heeft geschapen. Tegen Hem Die Zichzelf als hun Verlosser heeft verklaard. Laten we toch voor ogen houden dat Hij niet aan allen is gegeven en dat het geloof een bijzondere gave is, welke God als een schat bewaart voor hen die Hij heeft uitverkoren. Wij moeten verstaan dat het onze plicht is Hem aan te hangen, en ons niettemin bewust zijn, dat niemand van ons zich eigener beweging het geloof heeft gegeven, maar dat God ons heeft verlicht en ons de ogen heeft gegeven door Zijn Heiligen Geest, en dat Hij zulks doende ons Zijn kracht heeft geopenbaard.

Dat wil zeggen dat Hij ons zo’n levendig gevoel heeft gegeven heeft in onze harten, dat wij weten dat het Evangelie niet voortkomt van mensen maar van Hem. Kortom, laten we moedig bestrijden de ongelovigheid en hardnekkigheid van al degenen, die tegen God weerspannig zijn, en dáár gaan waar Hij ons roept, en aannemen het goed dat Hij ons aanbiedt, opdat wij niet schuldig zouden staan aan deze ondankbaarheid, waarvan de profeet hier beschuldigt en welke hij veroordeelt bij al degenen die niet aan de leer van het Evangelie zullen gehoorzamen.

Bovendien wijst hij er op, dat de mensen niet wensen te geloven in Jezus Christus, omdat zij Hem zien als misvormd. Wij weten, dat onze Heere Jezus genoemd wordt een steen des aanstoots en der ergernis, omdat de mensen zich aan Hem stoten. Toch is Hij ons door God, Zijn Vader, tot een ander gebruik gegeven, namelijk dat wij rusten zouden op Zijne genade, en dat Hij tot een steen zij om ons staande te houden; want er is geen andere steun en vastheid dan in Hem.

Wij allen staan van nature wankel, en de hel is geopend om ons op te slokken. Ziet dan, hoe onze zaligheid geen fundament heeft in deze wereld, maar hoe wij moeten leunen op onzen Heere Jezus Christus. Daarom voegde de profeet in hoofdstuk 8 – waar staat, dat Hij zal gesteld worden als een kostelijke steen en Gods Tempel er op gebouwd zou worden, een vaste steen om heel het gebouw te schragen – er ook aan toe, dat Hij voor het rijk van Juda en voor het huis Israëls zou zijn een steen der ergernis.

Verder staat in onze tekst dat onze Heere Jezus zal zijn als een rijsje, als een wortel voortkomend uit een dor en onvruchtbaar land. Zo erg zal Hij veracht zal worden dat men zich, als men Hem ziet niet zal verlagen Hem aan te kijken; dat een ieder zijn aangezicht van Hem zal afkeren, en een ieder Hem voor een verfoeiing zal houden. Ziet dan, hoe weinigen het Evangelie zullen geloven.

Wat is daarvan de reden? Wel, wij zoeken altijd een schone schijn. Wij zouden willen dat alles blonk in schoonheid en pracht. Maar God heeft op een andere wijze gehandeld, want (zoals de heilige Paulus zegt: aangezien de wereld geen winst heeft kunnen doen met de wijsheid Gods, zoals Hij Zich als almachtige en majestueuze Schepper openbaarde, is Hij van methode veranderd en heeft een dwaasheid gebruikt om ons te onderwijzen.

Want wij moesten door de wonderlijke wijsheid Gods in Zijn schepping onderwezen worden en tot Hem opgeleid worden, maar wij zijn daardoor niet veranderd geworden. God heeft daarom daarna een dwaasheid gebruikt, toen Hij Zijn enige Zoon heeft gezonden in deze wereld. Toen Hij Hem onderworpen heeft aan al onze zwakheden en Hij Zijn leven lang uit de menselijke samenleving uitgeworpen is. Hoe werd Hij uitgeworpen toen Hij in een stal geboren werd, toen Hij Zijn hele leven gelijk een arme werkman geweest is; en uiteindelijk zien wij, dat allen zich tegen Hem stelden en er zo’n grote woede geweest is tegen Hem dat Hij tot een versmading voor allen geworden is. Ja Hij moest ieders vijand worden en tenslotte heeft men Hem gekruisigd.

Deze dood van God vervloekt. O! Hij werd niet alleen geschonden door slagen, speeksel en zijn doornenkroon, maar Hij is een vervloeking geweest, toen Hij gehangen is tussen twee rovers, als ware Hij de meest verfoeilijke mens die ooit op aarde is geweest. Deze dood was verschrikkelijk, omdat hij in de wet door God vervloekt was.

Ziet dan gemeente, hoe Hij misvormd is. Deze weg is den mensen tot een ergernis geworden. Daarom zegt de profeet zo nadrukkelijk, dat men het Evangelie niet zal geloven, omdat de mensen niet kunnen vatten, dat zulks redelijk en billijk is.  Dat de enige Zone Gods, Die de Heere der heerlijkheid is, blootgesteld wordt aan zo’n smaad en schande; zij kunnen zich niet verenigen met deze eeuwigen Raad Gods, die geweest is van alle eeuwigheid.

Maar de profeet gaat voort om ons te onderwijzen. Namelijk dat Hij desniettemin zal verhoogd worden. Al moge er in het begin geen glans geweest zijn, God zal dit rijsje laten groeien, en men zal het met eigen ogen zien dat Hij, hoewel staande in dorre aarde toch niet zal aflaten in wasdom toe te nemen en in alle heerlijkheid te bloeien. Want God zal er Zijn hand aan leggen.

En dan gaat de profeet ons onderwijzen over onze zonden, om zo de ergernis weg te nemen, die wij door de verdorvenheid van onzen geest aan deze Man van smarten nemen. Opdat wij niet langer zouden weigeren tot de Heere Jezus Christus te komen, waar wij Hem zoo misvormd zien. Daarom wijst de profeet de reden aan, waaróm Hij zo tot schande geworden is. Want in waarheid, als wij eenmaal onze zonden hebben gezien, en de toorn Gods hebben verstaan, dan zullen wij niet meer gehinderd worden door enige ergernis, maar komen tot onzen Heere Jezus Christus. Want dan zullen wij verstaan dat in Hem een noodzakelijk geneesmiddel ligt voor onze zonden.

Wanneer de profeet ons onderwijst dat de Heere Jezus Christus als een rijsje is, met een wortel in een dorre en onvruchtbare aarde, dan is dat om ons voor te houden dat het begin van Hem wel klein zal zijn, en men in deze wereld wel geen rekening met Hem houden zal, ja dat zelfs iedereen met Hem zal spotten en lachen. Maar let er wel op, dit rijsje zal groeien! Ja zó groeien dat deze Boom uiteindelijk heel de wereld schaduw zal geven.

De Profeet wil ons leren dat onze Heere Jezus Christus van den beginne af aan veracht móést worden. Want als dat niet uitdrukkelijk verklaard zou zijn in Gods Woord dan zou men met recht ergernis nemen, ziende dat de komst van onzen Heere Jezus Christus naar de wereld in zo’n verachtelijke gedaaante. Maar wij moeten niet verbaasd zijn als Hij in zo’n geringe gedaante verschijnt. Want de Heilige Geest heeft van het begin af aan altijd zo over Zijn komst gesproken. AI deze dingen dan moeten ons versterken, opdat wij het niet vreemd zouden vinden dat het begin van onzen Heere Jezus Christus zoo klein is geweest.

Nu wijst de profeet ons verder op de aarde waarin dat rijsje opkomt. Het is zo dor dat het daarin niet behoorlijk kan groeien. Als een boom die in een woestijn staat, waar geen vochtigheid noch iets is. Ziet onze Heere Jezus dan als een boom, misvormd doordat hij niet gevoed wordt, doordat hij geen kracht en vochtigheid uit den grond kan halen. Nu staat dit er om ons te leren dat Hij hier beneden geen middelen vinden zal om op te wassen; maar dat Hij Zijn wasdom ontvangen zal van boven. Van de verborgen kracht van God Zijn Vader; dat Hij geen hulp ontvangen zal van de zijde der wereld, want daar zal slechts onvruchtbaarheid zijn.

Dit was niet alleen het geval met Zijn geboorte, maar men moet dit laten slaan op heel den loop van het Evangelie. Weliswaar was het al een teken dat Hij een rijsje was, wanneer Hij geen herberg vinden kon onder de mensen. Maar Hij is altijd buitengesloten en uitgebannen geweest uit alle gezelschap der mensen. Hij is in armoede opgegroeid, geen mens zou in Hem dat Koningskind herkend hebben. Dit moeten wij leren om er op voorbereid te zijn dat Jezus Christus verworpen zal worden en naar de wereld verachtelijk zal zijn.

O! Hoe kwam zijn verachtelijkheid naar voren toen Hij optrad om het Evangelie te verkondigen en de opdracht uit te voeren, die Hem door God Zijn Vader was toevertrouwd. Toen zijden de mensen: is deze niet de zoon van een timmerman? Is deze niet in armoede grootgebracht? En op welke school heeft Hij eigenlijk geleerd zo’n groot leraar te zijn? Ja, zelfs wilden de mensen, ziende hoe Hij gehaat werd, elkaar wijs maken dat Hij buiten zijn zinnen was, en dat men Hem moest binden en gevangen houden. En eindelijk zien we Jezus Christus gekruisigd.

O! Hoe lijkt het dat hiermee het Evangelie met Hem werdt begraven en de herinnering aan Hem geheel zou worden uitgeblust. Wie zou van dit rijsje, wat uit een dorre aarde opkwam, en stond in een onvruchtbare aarde, verwacht hebben dat de apostelen zo de leer van deze zaligheid konden verbreiden? Het waren arme ongeletterde mensen, die nooit aan wetenschap hebben gedaan en in de Heilige schrift niet geoefend  waren. Die geen welbespraaktheid bezaten noch enige handigheid hadden opgedaan. En dan waren het ook nog, in veler oog, achterlijke mensen, bij wie men niet graag het oor te luister legde. Wat ziet men ook daarin dan een dor land? Waar is dan de grote praal en wijsheid om te maken dat de koningen en de vorsten zich aan het Evangelie zouden onderwerpen? Maar helaas, het omgekeerde gebeurde, vele machthebbers ontblootten hun zwaarden en stookten hun vuren op om te beletten dat deze leer haar loop zou hebben. Zoo ziet men dus wel, wat het betekent, dat Hij geplant was als een rijsje in een dorre aarde.

Wie zou zeggen dat van dit alles nog een boom komen moest? Die heel de wereld overdekken zou en waaronder de hele wereld haar toevlucht zou zoeken te nemen? Wie zou zich dat kunnen voorstellen, ziende hoe het begin is? Daarom verklaart Jesaja dat de wereld, die maar al te zeer aan praal en hoogheid overgegeven is, zich niet verlagen zal naar Jezus christus te kijken, maar Hem voor veracht zal houden, aangezien het een twijgje is, een stekje, voortkomend uit een dorre aarde.

Nu wordt ons dit met nadruk voorgehouden, opdat wij niet worden afgeleid noch verleid door deze ergernis. Zodat we niet afgehouden zouden worden, ziende op deze dwaasheid, om met haast te komen tot onzen Heere Jezus Christus. Dat we niet in verwarring zouden gebracht worden wanneer het ons voorgehouden wordt hoe het Evangelie aan de wereld gepredikt moet worden. Dat het de dwaasheid der prediking is die zalig maken moet die verkoren zijn. Dat we niet in verwarring zouden komen wanneer wij nog elke dag zien dat de Kerk slechts als een handjevol mensen is, die men gespuis zal achten of voor achterlijk verslijten zal. Dat we niet zouden wanhopen wanneer wij zien dat diegenen die alle roem in deze wereld hebben het evangelie verwerpen. Dan moeten wij de moed niet verliezen. Want wij hebben nu gezien hoe onze Heere Jezus Christus van het begin al op deze wijze is verschenen.

En als Hij nog wil, dat Zijn Koninkrijk ook heden ten dage, op deze voor velen verachtelijke manier, in stand wordt gehouden, dan mag dat ons niet verhinderen ons bij Hem te voegen. En wetend, dat de dwaasheid Gods (zoals de heilige Paulus ervan spreekt) alle wijsheid der mensen ver te boven gaat, zo moeten wij niet zoo verwaand zijn ons daartegen te stellen. Maar laten we het verstaan, dat, gelijk God Zijn Zoon heeft willen vernietigen, Hij Hem ook alzo heeft willen verhogen boven de hemelen; en laten wij het goed vinden, wat Hij dienaangaande in Zijn Raad bepaald heeft, en daarin berusten.

Verder mogen wij wel op de uitdrukking letten in het vervolg van onze tekst, dat dit rijsje voor Zijn aangezicht zal opkomen. Hoe het ook ga, Als wij menen door onzen hoogmoed gedreven, dat wij Jezus Christus onder den grond kunnen houden, dan vergissen we ons: Hij zal, ten spijt van alle ongelovigheid, boosheid, ondankbaarheid en rebellie der mensen groeien. Zekerlijk! Maar let op! Groeien vóór God. Nu is het waar, dat Hij ook wel groeit voor de gelovigen, want zij aanbidden Hem in alle gehoorzaamheid, en zij weten wel dat dat het Hem gegeven is dat uiteindelijk alle knie zich voor Hem buigen zal.

Maar met nadruk heeft de profeet gezegd, dat Hij groeien zal vóór God. De profeet doet dit om een vergelijking te maken tussen de mensen die trachten de glorie van onzen Heere Jezus Christus onderstboven te keren, en tussen God Zijn Vader Die Hem de hand zal reiken en maken dat niets Hem kan verhinderen te komen tot de genieting van Zijn glorie en Majesteit, tot dewelke Hij is geroepen.

Ziet dan de bedoeling gemeente van deze woorden: dat onze Heere Jezus is als een rijsje dat groeien zal voor het aangezicht van Zijn Vader. Altijd als men let op Zijn uiterlijke verschijning, dat hij is geplant in de onvruchtbare woestijn van deze wereld, waar geen middelen zijn om Hem te voeden, moet men denken aan deze woorden: dat Hij zal groeien voor God. Zo dan, verbazen we ons niet meer, wanneer de mensen spotten met de leer van het evangelie. Als wij zien, dat de vijanden der waarheid zoo aanmatigend zijn en de hoornen opsteken tegen onzen Heere Jezus Christus en zelfs tegen Hem strijden met alle woede, laat ons daarvan ons gezicht afwenden, en niet zoo dwaas zijn den Zoon van God te verachten omdat de lof, die Hem toekomt, Hem niet gebracht wordt door de blinden en door hen die van den Satan bezeten en betoverd zijn.

Veel meer zullen wij op God letten. En dán zullen wij zeer opgebouwd worden in ons geloof. Want aangezien Jezus Christus zó wast in de tegenwoordigheid van God Zijn Vader, is er wel reden, dat wij onzerzijds Hem grootmaken en Hem toebrengen, wat Hem toekomt. Kortom dan is er reden om ons te verblijden. Daar op ziende zullen wij vrij de wereld kunnen trotseren. En al houdt zij geen rekening met het Woord van God, toch zullen wij niet ophouden, daaraan volle gehoorzaamheid te bewijzen, zoals wij die verschuldigd zijn. En waarom? Aangezien God ons meer zal zijn dan een oneindige menigte tegensprekers, die ons zoeken af te houden om te komen tot onzen Heere Jezus Christus.

En wij hebben dit woord tegenwoordig wel nodig gemeente, want wij zien de grootsten van deze wereld en hen die tot de allerwijsten gerekend worden, telkens strijden tegen het Evangelie. En zij die zich beroemen de grootste voorstanders van het Evangelie te zijn, die in hun hoogmoed christenen heten, ook zij zijn desniettemin trawanten van den satan, om de waarheid Gods te niet te doen en zich te stellen tegen onzen Heere Jezus christus en Zijn woord.

Als wij dat zien gemeente, moet ons dat niet verbazen, maar moeten wij denken aan wat hier staat. Als wij de mensen zo hardnekkig en verhard zien, dat zij den Zoon van God niet willen aannemen wanneer Hij  Zichzelf hun aanbiedt, moeten wij hen, zelfs de grootsten der wereld voorbijzien, want bij God vergeleken zijn ze slechts een stofje aan de weegschaal.

Zij mogen dan in hun tegenwoordige staat, een majesteit en macht hebben waarvoor alles lijkt te moeten beven; maar als wij onze gedachten opheffen tot God, en daarheen onzen blik werpen, zal zeker al het lawaai van de wereld ons niet meer schaden. Ziet dan, hoe ons geloof zich moet oprichten, opdat niets, van wat wij hier beneden zien, verhindere, dat Jezus christus zijn gezag over ons uitoefene.

En zelfs waar God op vreemde en onbegrijpelijke wijze handelt, moet dat ons te meer bevestigen. Want als het Evangelie gepredikt zou worden door mensen van grote achting, door koningen en vorsten en velen zich daaraan onderwierpen, men overal de leidende positie had en uit al dat uiterlijk vertoon de conclusie getrokken werd: ziet hier is een hemelse waarheid en wij moeten het daarmee eens zijn, en een ieder van zijn kant dat bevestigde en zich met al zijn krachten inzette, en al zijn vermogens daarvoor zou geven, dan zou het zijn als was dat Rijsje geplant in een vette, wel bebouwde aarde, waarin men bomen plantte, wijnstokken vruchtbaar bloeiden en koren werd gezaaid. En als iedereen zou helpen en men kosten nog moeite zou sparen… Wanneer dan de grond zo bebouwd werd, en hij ontving den regen op zijn tijd, en men zat er altijd achteraan, kortom, geen moeite werd er aan gespaard, welnu, het zou natuurlijk zijn dat de vruchten zouden komen… Maar geen mens zou merken dat God er Zijn hand aan gelegd had.

Maar wanneer wij heden zien de tegenspraak en het verzet, om toch maar het Evangelie te onderdrukken, wanneer wij zien, dat er zovele vuile tongen zijn in het pausdom die zich als schijnheiligen verhuren om het evangelie te lasteren. Maar wanneer wij eveneens zien dat ook zulk tuig onder ons gevonden wordt; wanneer wij ook zien hoeveel wreedheid er wordt bedreven tegen Gods arme kinderen, en men alle dagen opnieuw samenspant om het ene edict na het andere te smeden, opdat de leer van dit Rijsje helemaal worde vernietigd; wanneer wij bij alle onheilige lieden die tegenwoordig de tong uitsteken en alle religie zouden willen vernietigen. Wanneer wij dan dat alles zien, moeten wij tóch tot de conclusie komen, dat God de overhand houdt en Zijn leer de overwinningen behaalt.

Zoo moet het ons dus tot versterking dienen, wanneer wij zien, dat er niets in deze wereld is, dat strekt om het Rijk van onzen Heere Jezus Christus en de leer Zijns Evangelies te bevorderen. Wanneer wij zien dat dat allen zich inspannen om haar tegen te houden moeten wij bedenken dat dit Rijsje desniettemin groeit en deze leer niet ophoudt om haar ingang te vinden en haar loop te hebben.

Nu worden wij door de profeet overtuigd dat het ondankbaarheid is wanneer wij aan al deze tegenstand ergernis nemen. Aangezien God ons tot Zich roept en ons toont, dat Hij het is Die werkt. Daardoor moeten wij tot de conclusie komen, dat het een wonder is, dat het Evangelie zoo voorspoedig gaat ondanks alle tegenstand.

Maar de profeet leert ons meer, namelijk dat Jezus Christus zonder gedaante moest zijn. De profeet heeft al gezegd dat Hij als een rijsje zou zijn, maar dit gaat nóg verder. Hij zal veracht zijn, verworpen, men zal zich niet verwaardigen naar Hem te kijken, er zal niets begeerlijks aan Hem zijn. Dit dient om aan te tonen, dat onze Heere Jezus in Zijn persoon, zoals wij reeds hebben aangewezen, door de wereld moest worden geminacht. Niet alleen van de mensen maar ook van God.

En nu lijkt het een dwaling geliefden, om onze zaligheid te zoeken bij Hem Die in zichzelf geen voorkomen heeft. Toch moeten wij deze verzoeking overwinnen om bij Jezus Christus te komen. Leren wij vanmorgen waarom hij zo moest komen. Allereerst omwille van de Joden, die altijd op een aards koninkrijk gewacht hebben. Want het is een natie geweest, zóó vol gierigheid en trots, dat zij hebben gedacht, dat God Zich niet barmhartig jegens hen bewijzen kon, als Hij niet onder hén al de rijkdommen der wereld ophoopte en maakte dat zij zouden leven in weelde en praal.

Op zo’n Verlosser hadden zij gehoopt ondanks dat God hun wel bekendgemaakt had, dat de Verlosser zou zijn als een rijsje, dat Hij door de wereld zou verworpen worden. En deze waarschuwing is niet alleen voor de Joden nodig geweest, maar evengoed voor ons vandaag de dag. Want deze ergernis is na de opstanding van onzen Heere Jezus Christus gebleven. Zoals Lukas er over spreekt, dat de heidenen met Hem hebben gespot, en de Joden zich met boosheid tegen Hem gewapend hebben, en tegen Hem aangestoten zijn als tegen een steen der ergernis. Ook heden nog zien wij zulke voorbeelden in onzen tijd. Des te meer moeten wij dus deze leer onthouden, dat de Zoon van God zóó zonder gedaante en schoonheid is geweest, dat er niets aan Hem was om Hem te begeren. Tenminste, naar de mening van mensen.  Want wij moeten altijd letten op hetgeen gezegd wordt in Joh. 1, dat de heerlijkheid van Gods enigen Zoon in Hem openbaar geworden is. Maar er waren vele blinden, die dat niet hebben begrepen.

Zo dan, wanneer de profeet Jesaja verklaart, dat Jezus Christus zal zijn als misvormd, dat er niets dan wangestalte aan Hem zal zijn, duidt hij daardoor aan, dat de mensen met hun natuurlijk verstand niet zullen kunnen begrijpen, dat Hij tot hunne zaligheid is gezonden, en dat Hij alle macht heeft over leven en dood, en dat alle volheid van gerechtigheid, van wijsheid en van heiligheid in Hem is. De mensen, zeg ik, zullen dat met hun brein niet kunnen vatten. Ziet dan, hoe men deze uitspraak moet opvatten. Want hoewel onze Heere Jezus Christus wonderen gedaan heeft, die een getuigenis gaven van Zijn goddelijke kracht, toch heeft Hij nóóit opgehouden zonder gedaante te zijn, en de ongelovigen hebben geen greintje van Zijn heerlijkheid gezien. Altijd dus is deze uitspraak van den profeet vervuld, dat Jezus Christus geen schoonheid heeft gehad, welke de mensen aantrok;

Nu wordt hier niet alleen gesproken van zijn aangezicht, maar de profeet spreekt over heel de positie van onzen Heere Jezus Christus. Nu staat er wel in Psalm 45, dat Hij in schoonheid zou uitgaan zelfs boven heel het menschelijk geslacht. Maar die schoonheid is geestelijk. Zij wordt alleen gezien door hen die daar oog voor hebben gehad en die ze hebben kunnen aan schouwen door het geloof. Ziet dan onzen Heere Jezus Christus gemeente! Die in schoonheid alle menschen te boven gegaan is. Want God heeft Hem de onfeilbare merktekenen gegeven, waardoor wij moeten leren verstaan, dat Hij waarlijk was het levende Beeld van God Zijn Vader.

Er is dus reden genoeg om onzen Heere Jezus Christus te verheerlijken, maar dat is voor de wereld verborgen geweest. Zoo moeten wij altijd terugkomen bij hetgeen de profeet zegt, dat ieder Hem den rug heet toegedraaid, dat ieder voor Hem de ogen heeft gesloten als was Hij een afschuwelijk ding.

Maar! zegt u, moet ik het leven in Zijn dood zoeken? Mijn hoop in die verachte Man gaan zoeken Die Zichzelf niet heeft kunnen helpen? Moet ik Mijn kracht zoeken in Hem Die zoo zwak is geweest? Wie zou dat doen? Kortom wij weten, en een ieder van ons ondervindt dat bij zichzelf maar al te zeer, dat waar onze Heere Jezus Christus in den dood is vernederd, daardoor ook ons geloof zal wankelen, tenzij het van Boven geschraagd wordt. Wanneer wij dus moeten leren om ons geheel toe te houden aan onzen Heere Jezus Christus. Wanneer wij worden geroepen om helemaal onze toevlucht tot Hem te nemen. Worden verplicht om aan Hem ons hele vertrouwen te hechten. Dan moeten wij leren waarom Hij zo vernietigd is in Zijn dood. Wij moeten in die weg komen tot wat de profeet ons hier voorhoudt, namelijk dat God Hem, na in den dood nedergeworpen te hebben, boven alle schepselen heeft verhoogd.

Daar zien wij ook dat God onze hoofden tot de Hemel toe moet opheffen. Zodat wij niet langer aan Hem geërgerd zullen worden. Om te leren dat de Zone Gods voor ons gekruisigd is, en Hij allen smaad heeft geleden die wij hadden moeten lijden. Dat Hij alle schande der wereld moest dragen die wij hadden moeten dragen.Op het eerste gezicht zal het als dwaasheid veroordeeld worden, dat Hij, Die de oorsprong van het leven is, sterfelijk mens is geworden. Dat Hij de smadelijke en van God vervloekte dood gestorven is; dat Hij daar hing aan het schandhout als een struikrover. Wanneer wij dat alles zien, zullen we zeker ingenomen worden met een verachting en nooit kunnen komen tot Hem. Maar ziehier het ware medicijn tegen zulk een gevoel: Leren wij verstaan waarom Hij gestorven is en hoe Zijn dood ons profijtelijk is geweest, en welke weldaad wij daarvan ontvangen; dan zullen al de ergernissen te niet gedaan worden.

Om eens voorbeelden te noemen: Als ik het er moeilijk mee krijg, wanneer ik zie, dat Gods enige Zoon als met voeten getreden wordt en verfoeilijk is voor de mensen, dan moet ik tot mijzelf inkeren. Want als ik alleen op Zijn verachting zie zal ik mij van Hem afkeren, en geen aandacht aan Hem schenken. Maar als ik eerst op mijzelf zie en ik kom daarna tot Hem, ziet dan, hoe hetgeen Hij geleden heeft, mij een goede reuke zal zijn. Hoe dat komt?  Wel, als ik zie dat ik een arme zondaar ben, en den toorn Gods tegen mij heb ingeroepen, zodat Hij mijn tegenpartij en mijn Rechter moet zijn; als ik daarenboven kom te vatten, wat een vreselijk en verschrikkelijk ding de toorn Gods is, en dat Hij mijn Rechter is, om mij neer te storten in de hel, dan zal ik er toe komen te zeggen: is er een middel om met God in het reine te komen? Dan vraag ik mijn ziel: Zult gij Hem iets kunnen brengen, dat genoegdoening kan geven, al was het alleen maar voor de kleinste zonde die gij hebt bedreven? Helaas neen, Wanneer ik ook zee en land omreist zal hebben, zal ik enig middel vinden tot verzoening? Zullen de engelen van het paradijs mij er aan kunnen helpen? Ach nee. Dus moet Jezus Christus Zich in mijn naam melden en Zich stellen tot mijn borg en middelaar.

Ziedaar, hoe de dood en het lijden van onzen Heere Jezus Christus ons niet meer in dwaasheid zal voorkomen. Ziet dan, zeg ik, hoe wij beginnen zullen de oneindige goedheid van onzen God groot te maken en onze zonden te verfoeien en daarover zoo verontrust te zijn als iets. Ziet daar ook, hoe de ergernis zal uitgewist worden, namelijk wanneer wij inkeren tot onszelf en een goed onderzoek naar onze zonden instellen, en verstaan, dat wij zoo verfoeilijk zijn voor God, dat Hij Zelf moest komen in den persoon van Zijn Zoon, om verzoening te doen en om onze ongerechtigheden weer goed te maken, opdat wij daardoor met Hem verzoend mogen worden.

Ziet daar dan de orde, welke de profeet hier volgt. Enerzijds zegt hij, dat Jezus Christus geen gestalte noch gedaante zal hebben en dat men niets begeerlijks in Hem zal kunnen vinden. Ja, wat meer is, dat men Hem van verre ziende, over Hem verbaasd zal zijn. Maar als hij al deze dingen gezegd. heeft, voegt hij er aan toe: Hij is om onze overtredingen verwond, alsof hij zeide: Arme blinden, gij telt den Zone Gods niet, en zelfs sluit een ieder van u door ondankbaarheid de deur voor Hem. Maar wat is daarvan nu de oorzaak? Dit, dat gij uwe zonden niet hebt leren kennen om u te verootmoedigen; De reden is dat een ieder van u ingeslapen is. Dat een ieder van u dom geworden is en zich voedt met ijdele vleierijen; maar ontzet u toch over uwe armoede en vuiligheid, dan zult gij u schamen over uw toestand en verstaan, dat er geen ander middel is dan Jezus Christus. Dat u Zijn bemiddeling nodig hebt; dat Hij Zich als een arme zondaar stelle in uw plaats en dat Hij al uw lasten op zich neme en op Zich legge.

Wanneer gij dan aan al deze dingen denkt, dan zult gij er grote lust in hebben, u te voegen bij den Zone Gods, en niet meer met uw eigen fantasieën u ophouden; dan gij zult niet meer daarover geërgerd worden, dat Jezus Christus Zich zoo heeft vernietigd, als gij verstaat welke verdoemenis gij hebt verdiend en welke schadeloosstelling en genoegdoening er vereist werd.

Ten laatste zegt de profeet uitdrukkelijk: Wij hebben Hem gezien en wij hebben Hem versmaad. Om aan te tonen dat onze Heere Jezus Christus zal veracht en verworpen worden, niet slechts door een zeker aantal mensen, maar door de grote meerderheid, zelfs van dit volk, dat Hem tot een bijzonder eigendom was en waaruit hij geboren is. Zo wil hij aantonen dat zoo de algemene opvatting is geweest, en dat haast overal Jezus Christus verworpen is.

Alzo worden wij nog beter uitgerust, opdat wij ons niet hechten aan de inbeelding van mensen, niet in verwarring zouden komen als we in ons gehele land maar een honderdtal gelovigen zouden zien. Niet zouden wanhopen wanneer wij zien hoe de vijanden van Christus met grote hopen en grote legers opkomen, en men onder de honderd er nauwelijks drie of vier zal aantreffen, die zich rustig voegen bij onzen Heere Jezus Christus. Wanneer wij dat zien, moeten wij toch niet ophouden, Hem aan te hangen. Want tegenwoordig zouden we stemmen willen tellen, en vele zwakke lieden kijken toe. Vertwijfeld uitroepend: Wat? Is er maar een handjevol mensen, die aan het Evangelie geloven? Ja, als men in getal de meerderheid had, dan zou ik mij er ook graag bijvoegen; maar wat zou het worden, als ik mij zou voegen bij zo’n klein groepje? En die grote meerderheid zou loslaten?

Welnu, om radicaal dergelijke tegenwerpingen af te snijden, zegt de profeet, dat er niet maar vier of tien zullen zijn, maar als ’t ware allen in ’t algelmeen zullen weigeren, onzen Heere Jezus Christus te gehoorzamen. Hij beschuldigd in de eerste plaats de Joden, dat Hij hen tot een ergernis geworden is. Ziedaar het volk, dat Godes was, boven alle andere volken verhoogd. Zij hadden de Verlosser toch wel moeten kennen? Want aan wie is Jezus Christus beloofd? Aan de Joden, gelijk er gezegd wordt, dat Hij dienaar der besnijdenis was, om de beloften te vervullen welke de vaderen hadden ontvangen. De Joden moesten dus wel helemaal vertrouwd zijn met Hem, vóór Hij in de wereld verscheen. Zij hadden Hem toch wel moeten aannemen? Maar er wordt gezegd dat zij, Ja de bouwlieden zelf, Hem als de hoeksteen hebben verworpen. Dat wil zeggen, de voormannen die de leiding des volks hadden hebben Hem niet geacht.

En dat treffen we heden ten dage nog altijd aan. Want het zijn niet slechts de Turken en de heidenen, die Jezus Christus verwerpen, maar zij die zich den naam van Christen aanmatigen. Ja zelfs zij die belijdenis doen van het Evangelie zijn dikwijls onheilige lieden en spotters met God. Ja die de beste schijnen te zijn blijken nog schurken die zouden willen, dat de gehele leer des heils teniet wordt gedaan. Dat zij zich nog niet geheel uit de band der kerk losscheuren is alleen uit schaamte voor de mensen.

Maar al is dit alles zo donker gesteld. En al is het dat Jezus Christus veracht en verworpen wordt, en al zouden wij door dit alles in ons geloof kunnen geschokt worden, toch moet deze uitspraak van Jesaja ons een staf zijn om ons staande te houden, Ja een vaste rots om op te leunen, wanneer wij zien, dat iedereen zich stoot aan onzen Heere Jezus Christus; dat sommigen Hem tarten en in alle woede zich tegen Hem en Zijne leer stellen. Wanneer wij zien hoe anderen spotters zijn en de tong uitsteken, om alle religie voor verachtelijk te houden. Dat wij dan desniettemin standvastig in ons geloof volharden.

Wat zou het te wensen zijn, dat het onder ons anders zou zijn. Dat als Jezus Christus zich nog maar in de verte zou vertonen, zich een ieder van ons reeds aan hem onderwierp. Maar al ontbreekt daar veel aan, toch moeten wij, hoe meer wij zien dat de wereld Hem verwerpt, ons geloof te beter bevestigen op Hem. Want hoe zullen wij kunnen weten of Jezus Christus de Verlosser der wereld is? Dan moeten wij letten op hetgeen van Hem door al de profeten voorzegd is. Dat zijn de ware getuigen, die God van den hemel gezonden heeft om ons aan te tonen, hoedanig onze Verlosser moest zijn: namelijk dat Hij verworpen zou worden door heel de wereld en iedereen zich tegen Hem verheffen zou.

Als dit dan zo is voorzegt, laten wij Hem dan in zulk een conditie aannemen, en niet twijfelen. Zelfs niet wanneer wij helemaal overstelpt en onder den voet gelopen zullen worden door de stoutmoedigheid en den trots der bozen. Hoe groot de weerstand en verachting ook zal zijn, laten wij toch God onzen Heere Jezus grootmaken en ons geloof door Zijn Heiligen Geest zóó versterken dat het uiteindelijk zal triumferen; Opdat, zoals onze Heere Jezus den duivel heeft overwonnen en deze met al zijn trawanten ten slotte tot een voetbank van Zijn voeten gesteld heeft, Hij ook ons met Zich zal doen triumferen over al degenen, die ons vervolgen en in zo’n grote woede ons en onze Zaligmaker tegenstaan.