Mag ik wederkomen
Met dezelfde schuld ?
Wordt Gij mij niet moede,
Blijft Uw taai geduld ?
Is dan Uw genade
Nieuw op elken keer,
Dat Gij wilt vergeven
Telkens, telkens weêr?

Kom ik U zo vragen,
Ziet mijn oog U aan,
Dan ontsluit G’ Uw harte,
Gij hebt mij verstaan.
Liefde, lout’re liefde
Is ‘t, die Gij mij schenkt,
Die mij wil omvangen
Als geen mens ‘tzich denkt.

Schenk mij Jakobs krachten,
Schenk mij Jakobs moed.
Dat ‘k bij U blijv’ smeken,
Heere, zo trouw als goed.
Nee, ik wil U niet verlaten,
Daar ‘k Uw harte ken;
‘k Wil U gansch omvatten,
Tot ik zalig ben.

Schijnt het ook, als wendde
Gij U af van mij, —
Schijnt G’ ook niet te weten,
Wat mijn bede zij, —
Steeds gaaft Gij me Uw zegen,
Eer ‘k nog weende, Heer;
Ja, toen ik U haatte,
Mindet Gij mij teêr.

Zeeg’nen en verlossen
Is Uw grootste lust;
Breek des twijfels keten,
Schenk mijn ziele rust.
Toon mij Uwe liefde,
Die ’t vertrouwen wekt
En met sterke drijving
Mij steeds tot U trekt.

Waarlijk, ik mag komen
Met dezelfde schuld;
Ik word aangenomen.
Daar Ge Uw Woord vervult.
Houd me aan U verbonden,
Nu en te aller tijd,
Dat ‘k in U bevonden
Worde in eeuwigheid.

Dr. H. F. Kohlbrugge