Kracht heb ik niet om mijzelf te bekeren; kracht vond ik niet om Gods gebod te bewaren, zoals ik wel gewild had en waarvoor ik mijn best deed, kracht vond ik niet om mij tot God te wenden, geen kracht om ook maar een enkele zucht uit te stoten; kracht vond ik niet om ook maar een enkele zonde, een belachelijke zonde, zo zwak als een spinnenweb, als een draad, te verscheuren; kracht vond ik niet om aan de wereld en haar smaad tegenstand te bieden!

Maar juist toen, toen ik zo krachteloos was, heb ik het meegemaakt dat de Heere de Sterkte van Zijn volk is. Sterk ben ik nooit geweest, dan alleen in de kracht des Heeren. Blij ben ik nooit geweest, dan alleen in de vreugde des Heeren.