Romeinen 1: 22 “Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden.”

De mens moet vrij zijn! Losgescheurd van de hinderlijke (christelijke) normen en waarden die eeuwenlang de vrije geest van de mens heeft gehinderd. Deze vrijheidzin van de mens komt al maar tot hogere pretenties. De dichter Willem Kloos (1859-1938) verwoorde kernachtig de hoogmoed van de moderne mens: “Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten, En zit in ‘t binnenst van mijn ziel ten troon”.

Maar waar alle normen en waarden wegvallen en het enige wat overblijft uiteindelijk mijn eigen ‘ik’ is, daar komt een ontzaggelijke chaos als een tsunami over de mensheid heen. Want waar het collectief belang wordt weggeworpen als ouderwets, de Bijbelse notie van “God lief te hebben boven alles en de naaste als onszelf”[1] als achterhaald moet worden verworpen en de toekomst van hemel en hel niet langer werkelijkheid wordt geacht, daar eindigt het met de woorden van Nietzsche zelf: de horizon is uitgewist. Het perspectief is weg, het levensdoel vervalt en wat blijft er over? Het grote ‘ik’, wat vandaag moet eten en drinken want morgen sterven wij.[2]

Deze opstand tegen het Gezag, is wezenlijk al zo oud als de mensheid na de zondeval. De uitroep klinkt al eeuwenlang alom: “laat ons Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen.”[3] Maar de diepste essentie van de hedendaagse ellende is triester dan ooit. Want nooit in de geschiedenis was er zo’n grote menigte van mensen die pretendeerde nérgens meer in te geloven dan slechts het eigen ‘ik’. Nooit was de eigenliefde zo groot dat de profetie van de Bijbelse Openbaring aan Johannes in vervulling lijkt te gaan: in het laatste der dagen zullen de mensen zijn liefhebbers van zichzelven.[4]

Nee, de liefde is nog niet volledig verdwenen. Maar ze zal meer en meer versmallen en verengen tot louter eigenliefde. Waar de naaste te gebruiken is voor persoonlijk gewin en zelfontplooiing, daar zal nog iets van harmonie gevonden worden. Maar waar het wederzijds belang wegvalt, ja sterker, tegengesteld wordt, daar zal de liefde enkel eigenliefde blijken te zijn.

Hoe diametraal staat dit tegenover de Bijbelse notie dat de mens is geschapen om in ware gemeenschapszin God te dienen en te wandelen in de gehoorzaamheid aan zijn Schepper. Dit was in het Paradijs een hartelijke harmonie waarin de mens met God wandelde. Er was kennis van God in Zijn heerlijke deugden en niets verhinderde de dagelijkse ontmoeting tussen Schepper en schepsel.[5] Door de zondeval is deze harmonie verbroken en is de situatie zeer onnatuurlijk geworden.

Nu is er na de zondeval nog slechts een beperkte kennis van God overgebleven in de mens. Dat wat nog van God kennelijk is, dat is in hen openbaar; want God heeft het hun geopenbaard.[6] Nu heeft het menselijk vernuft van de 19e en 20e eeuw de gruwelijke zonde begaan die ons door de apostel Paulus wordt voorgesteld in zijn brief aan de Romeinen: Zij hebben God kennende, Hem als God niet verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.[7] Ze zijn zich gaan uitgeven voor wijzen en verstandigen. Voor verlichte denkers en vrije geesten. Maar daardoor zijn zij dwaas geworden[8]

Zij zijn het die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid. En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens. De mens moest in de plaats komen van God. En deze grote zonde, van het verlaten van God en het laten prevaleren van het menselijk vernuft boven de Goddelijke openbaring, heeft de ontzagwekkende consequenties gehad die de apostel heeft verbonden aan deze misdaad. Zo hebben ze de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangen. En gelijk het hun niet goedgedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft hen God overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen. Daarom heeft hen God overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkander te onteren; tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; insgelijks ook de mannen nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende. En daar blijft het niet bij, ze zijn als een oordeel op het verlaten van God, vervuld met: Ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid, oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouders ongehoorzaam, onverstandigen, verbondsbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken en onbarmhartigen.

De apostel sluit deze opsomming af met het summum van zondigheid, namelijk: dewelke, daar zij het recht Gods weten (namelijk dat degenen die zulke dingen doen, des doods waardig zijn), niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen die ze doen. Dus de grootste zonde is, om het kwade niet alleen te doen, maar bovenal het hebben van een welgevallen in degenen die ze doen. Ofwel, het vermaak in de zonden van de ander. Zie hier de essentie van onze beeldcultuur. Is het meer dan een zich vermaken in de dwaasheid, goddeloosheid en oneerbaarheid van de naaste?

Bovengenoemde zaken geven ons stof tot verootmoediging. Wij hebben als land en volk God niet alleen verlaten, nee wij hebben Hem doodverklaard. En daarom leven we zo goddeloos en zondigen we zo vrijmoedig. De roepstem van de profeet mag ons wel aangrijpen: “Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE uw God hebt overtreden.”[9] In deze weg, van schulderkentenis en schuldbelijdenis, in deze weg van het billijken van het rechtvaardig oordeel Gods, in deze weg van het omhelzen van het Recht Gods, daar ligt de verwachting. “Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen![10]

[1] Naar Markus 12: 30 en 31

[2] Naar 1 Korinthe 15: 32

[3] Psalm 2: 3

[4] 2 Thimotheüs 3: 2

[5] Genesis 3: 8

[6] Romeinen 1: 19

[7] Romeinen 1: 21

[8] Romeinen 1: 22

[9] Jeremia 3: 13a

[10] Jona 3: 9