LEZING 36 - DORDTSE LEERREGELS - H5 - HET GEBED ALS MIDDEL TOT VOLHARDING - DEEL 3 - DE DROEFHEID OVER DE ZONDEN IN HET LICHT VAN GODS LIEFDE BELEDEN

met A. Visser

Uitwerking inclusief verwijsteksten

Lezing 36 – Dordtse Leerregels – H5, art. 2 – “Het vlees doden door den Geest des gebeds” – Deel 2: Belijdenis van zonden en verklaring van berouw (2)

Het gebed is onder te brengen in een aantal fasen:
1. Aanspraak tot God en aanbidding van Hem
2. Belijdenis van zonden en verklaring van berouw
3. Bidden en smeken om alles wat we nodig hebben
4. Dankzegging voor Gods weldaden
5. De voorbede voor anderen
6. Gebeden voor bijzondere gelegenheden
7. Het gebed afsluiten

Bij het belijden van de zonden is het noodzakelijk dat wij zien wat het kindschap heeft gekost:

De Vader:

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft” (Joh. 3: 16a)

Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven” (Rom. 8: 32a)

“het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem krank gemaakt” (Jes. 53: 10a)

“Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren.” (Rom. 5: 8)

“ZIET hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden” (1 Joh. 3: 1)

“Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een Verzoening voor onze zonden.” (1 Joh. 4: 10)

Gij hebt Uw land, o HEER, die gunst betoond,

Dat Jacobs zaad opnieuw in vrijheid woont;

De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan;

Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;

Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;

De hitte van Uw gramschap is geblust.

Ps. 85: 1

 

De Zoon:

“Christus (..) Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” (Gal. 2: 20)

“Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.” (Joh. 18: 8)

“Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten, die heeft Hij gedragen” (Jes. 53: 4)

“Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld” (Jes. 53: 5a)

“Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout” (1 Petr. 2: 24)

“Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding mijns volks” (Jes. 53: 8b)

Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;
Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ‘t verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw redder is geweest.

Psalm 103: 2)

De Heilige Geest

“Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.” (Hand. 7: 51)

“een wederhorig en wederspannig geslacht, een geslacht dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.” (Ps. 78: 8)

“waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt” (Hand. 5: 3)

“En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel” (Joh. 16: 8)

“Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.” (Rom. 8: 16

O! Wat heeft een Drie-enig God een werk om een zondaar zalig te maken. Om hem los te maken uit de gevangenschap des duivels: “Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.” (Mark. 3: 27)

O! Wat een wonder dat we verlost zijn. “opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht” (1 Petr. 2: 9)

Door de dure prijs van Zijn bloed: “Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.” (1 Kor. 6: 20)

Zo’n andere wandel ontvangen: “En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.”

Als vrucht van Gods barmhartigheid: “Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden), En heeft ons medeopgewekt, en heeft ons medegezet in den hemel in Christus Jezus; Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

Uit louter genade: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.” (Ef. 2: 1-10)

O! Wat is het dan dat wij nog zondigen…

Het is wreed, daar zij tegen de liefde is: “Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.” (Rom. 6: 15)

Het is opstand tegen Christus: “Wij willen niet dat deze over ons koning zij.” (Luk. 19: 14b)

Het is het afwerpen van het liefdesjuk: “Laat ons Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen.” (Ps. 2: 3)

Het is het drinken van giftig water, terwijl we het Water des levens voorbijgaan.

Het is behagen van de tegenstander van God, terwijl wij wedergeboren zijn om God te behagen.

Wij doen de werken van de duivel, de vader der leugenen, en daarmee beledigen wij onze hemelse Vader

Wij zijn ongehoorzaam en zeggen daarmee: “Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou (..) Ik ken den HEERE niet” (Ex. 5: 2)

Wij bedroeven de Heilige Geest: “En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.” (Ef. 4: 30)

Wij zijn roekeloos: “En denkt gij dit, o mens, (..) die zulke dingen doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?” (Rom. 2: 3)

Wij verachten Zijn goedertierenheid en verdraagzaamheid: “Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?” (Rom. 2: 4)

En dat alles is verzwarend omdat het zo zinloos is: “Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.” (Jer. 2: 13)

Omdat we ons afsnijden van Zijn zorg:

“”Och, had naar Mijn raad

Zich Mijn volk gedragen!

Och, had Isrels zaad

Op Mijn effen paân

IJv’rig willen gaan,

Naar Mijn welbehagen!”

Ps. 81: 15

 

“”‘k Had u dan tot spijs

Vette tarw’ doen groeien,

En u, ten bewijs,

Hoe Ik u kon voên,

Honigbeken doen

Uit de rotsen vloeien.”

Ps. 81: 18

 

Omdat het een miskenning is:

  • Wij zoeken de zoetigheid van de wereld – Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest, geen honing kan ’t gehemelt beter smaken…
  • Wij zoeken de gemeenschap met de zonden – terwijl er grote lust is in Zijn schaduw, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.” (Hoogl. 2: 3b)
  • Wij zoeken de liefde van de wereld – “want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.” (Hoogl. 1: 2)
  • Wij zoeken een kus van mensen – “Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. Hij kusse mij met de kussen Zijns monds” (Hoogl. 2: 6)
  • Wij zoeken de maaltijden van de wereld – “Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is” waar Hij zeer begeert het Avondmaal met Zijn Kerk te houden
  • wij zoeken de erkenning en complimenten van de wereld – “Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin (..) Zie, Gij zijt schoon, mijn Liefste” (Hoogl. 1: 15-16)
  • Wij luisteren naar de lokroep van de wereld – “Mijn Liefste zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom.” (Hoogl. 2: 10)
  • De wereld dingt naar onze stem – “doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk.” (Hoogl. 2: 14)
  • Wij zoeken zo vaak schuiling en verzekering – “Wees mij een Rots om in te wonen, om geduriglijk daarin te gaan”
  • De wereld wil ons hart winnen, terwijl we het Christus gewonnen gegeven hebben: “Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid; gij hebt Mij het hart genomen met één van uw ogen” (Hoogl. 4: 9)
  • De wereld wil onze gerichtheid naar de aarde trekken – “Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus” (Fill. 3: 20)
  • We zijn in de vrijheid der wereld gesteld, maar de wereld wil ons binden: “Gij zijt duur gekocht; wordt geen dienstknechten der mensen.” (1 Kor. 7: 23) & “Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.” (Gal. 5: 1)

 En daarom zo nodig: vergeef ons onze schulden…

‘En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren’. Dat is: Wil ons, armen zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus’ wil niet toerekenen, gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven.’ (Catechismus)

Om getroost te worden door:

Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd  en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.” (Catechismus zondag 23)