Heiligmaking · met A. Visser · 2026
Lezing 15 - Heiligmaking - J.C. Ryle - "Christus de grote Bouwer" - "Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis" (1 Petrus 2:5)
Download de tekst: PDF (om te printen) · EPUB (voor je e-reader)
Bewerkte weergave van de gesproken lezing. De tekst kan op details afwijken van de opname.
Schriftlezing: 1 Petrus 2:4-8 en 1 Korinthe 3:10-17
Het bouwen van God
We willen vanavond verder gaan met de behandeling van het boek van Ryle. En daarbij is het dertiende hoofdstuk aan de orde, het dertiende hoofdstuk van het boek van Ryle. En dat hoofdstuk, dat gaat over Christus als de grote Bouwer. Ik heb u vanavond twee gedeelten voorgelezen uit de Heilige Schrift, uit de brief van Petrus en de brief aan de Korinthiërs, waarbij we op twee manieren hoorden van dat grote gebouw wat Christus bouwt.
De vraag die Ryle terecht stelt, en het viel me ook op dat dit hoofdstuk ook op dezelfde manier staat in het boekje De Waarschuwing aan Kerken, ook van Ryle, dat heb ik in het verleden weleens uitgedeeld. Een heel indringend hoofdstuk, waarbij de grote vraag gesteld wordt of wij inderdaad onderdeel zijn van dat grote Godsgebouw van de ware kerk. En als wij de gesprekken moeten voeren over de ware kerk, dan doen we dat heel vaak over welk kerkverband of welke dominee of welke denominatie, maar dat is niet waar het vanavond over gaat. Vanavond gaat het over het bouwen van God, niet het bouwen van ons. Wij zijn in staat om kerken te bouwen en instituten, en daar op alle mogelijke manieren zoveel mogelijk vorm en glans aan te geven, maar achter dat hele gebeuren van ons klein menselijke kerkelijke bezig zijn is God bezig.
We lezen dat in Mattheüs 16 vers 18, daar staat: "Op deze petra zal Ik Mijn Gemeente bouwen." Dus de ware gemeente, de ware kerk wordt door God gebouwd. En dat kerkgebouw wordt gebouwd op een fundament, wordt gefundeerd. We hebben dat gehoord in 1 Petrus 2: "Zie, Ik leg in Sion een uiterste Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is." God heeft een fundamentsteen gelegd, een hoeksteen gelegd, en die hoeksteen, dat fundament is Christus. Er is geen leven buiten Christus mogelijk. Er is geen gefundeerd zijn, geen onderdeel te zijn van dat Godsgebouw buiten Christus.
En die uiterste hoeksteen is door God gelegd. En dan zouden we vanavond, als we daar zomaar wat over denken, al heel lang stil bij kunnen worden, want om een hoeksteen, een fundamentsteen te kunnen worden, is Christus heel diep vernederd. Christus was de Zoon van de Vader. Christus was spelende voor het aangezicht van Zijn Vader. Christus was omgeven van engelen. Christus was gedurig toegezongen alle lof en glorie. Er was één groot vermaak tussen de drie Goddelijke Personen. Christus had al de heerlijkheid en al de zaligheid in de hemel.
En toen, met eerbied gesproken, heeft God de Vader omgezien hoe het nog mogelijk was om die zondaren daar beneden op de aarde, die het in hun hoofd gehaald hadden om van die verboden vrucht te eten, die zondaren die nu voor eeuwig verloren lagen in de modder van de zonde, die voor eeuwig zouden moeten branden in het vuur van de hel, eeuwig zouden moeten verkeren in de vlammen, in de pijn. Maar God had gedachten des vredes. God wilde uit die hele menselijke massa, daar liggend in de zondemodder, Zich een kerk formeren. God wilde redden van het allergrootste kwaad en brengen tot het allerhoogste goed. Maar daarvoor moest er wel, voordat dat Godsgebouw gebouwd kon worden, een fundament gelegd worden.
En God heeft omgezien of er misschien iemand was die goed was, of er iemand was op die hele aarde die misschien als fundamentsteen gebruikt kon worden, en de Roomse kerk zegt: nu ja, God heeft zowat rondgezien en Petrus gevonden als de petra waarop Hij Zijn gemeente zou bouwen. Grote vergissing. God heeft omgezien of er iemand was die fundament kon zijn, die de basis kon zijn om dat hele Godsgebouw van het heil te funderen. Maar er was niemand. En toen heeft God de Vader omgezien. En toen is Zijn blik gevallen op Zijn lieve eigen Zoon.
Zijn Enige. Zijn Lieveling. Waar Hij altijd Zijn welbehagen in had, Zijn Zoon. Waar Hij iedere dag Zijn vermakingen in had, Zijn Zoon, Die die Vader altijd eerde. Het vermaak van de engelen, Zijn Zoon. En God de Vader heeft gezien: op aarde is er niemand die fundamentsteen kan zijn. Maar toen Zijn oog viel op Zijn eniggeboren Zoon, de reine, zuivere, zoete en dierbare, tere Heere Jezus, toen zag de Vader: Hij. Hij is de Enige Die fundamentsteen kan zijn, Hij is de Enige Die fundamentsteen kan worden.
En de Vader heeft Zijn Zoon geroepen om naar deze lage aarde te gaan, om die plaats daar in die zondemodder, waar wij allemaal in liggen van nature, om die zondemodder in te gaan. Of Christus bereid was om de hemelse heerlijkheid te verlaten en om Zich niet alleen in die zondemodder te laten leggen, maar om Zich daarin te laten begraven. Een fundamentsteen kan geen fundamentsteen zijn dan alleen als die is ingegraven. En Christus was bereid om niet alleen naar de aarde te gaan en Zich bloot te stellen aan de stank van de zondemodder, maar Christus heeft Zich daarin laten begraven. Nadat Hij gekruisigd is en gedood is, is Hij begraven en zo is Hij fundamentsteen, hoeksteen geworden. Als je daar zo wat over nadenkt.
Het kind van God, als u zegt: ik mag weten en geloven dat ik onderdeel ben van dat Godsgebouw, dan bent u dat ten koste van Christus. Dan heeft dat een hele dure prijs gekost om dat fundament te leggen. En Christus is gewillig geweest, onvoorstelbaar. Maar Hij is gekomen. En de Vader is gewillig geweest om Zijn Zoon te geven. En daarom lezen we hier in 1 Petrus 2: "Zie, Ik", zegt God, "Ik leg een uiterste Hoeksteen." Daar heeft u niks aan gedaan, daar heb ik niks aan gedaan, soli Deo gloria, God alleen de eer, Hij heeft de hoeksteen, het fundament, Zelf gelegd.
Levende stenen
Maar ja, zegt u, dat kan God nu wel doen, maar daarmee is dat Godsgebouw nog niet gebouwd. Hoe moet dat dan, hoe moet dat oprijzen, hoe gaat dat er dan uitzien? Wel, dat gebouw wordt opgebouwd uit stenen. Stenen. Vanavond stel ik maar heel eenvoudig de vraag: welke steen is in staat om eigenhandig plaats te nemen op een fundament? Niet één. Er is niet één steen in staat om zichzelf als het ware op te tillen en op dat fundament te zetten.
Daar ligt u, daar lig ik van nature, verloren in zonde en schuld, dood als een steen, ijskoud, niks mee te beginnen. Niks van te genieten, koud, dood, in zonde en misdaden, voor eeuwig verloren. Daar ligt u en daar lig ik van nature. En als God dat zo gelaten had, mensen, dan was er helemaal niemand die op dat fundament gefundeerd was, was er geen Godsgebouw gerezen. Maar wonder van genade, onuitsprekelijk wonder van genade, en ik heb er vanavond zo'n vreugde in en zo'n blijdschap eigenlijk in, omdat vanavond alles van boven naar beneden gaat. Ik hoef vanavond niet tegen stenen te zeggen: zorg dat je op dat fundament komt. Ik hoef niet aan je te sjorren en te trekken en te doen. Ik mag vanavond vertellen wat God doet.
Want dan lezen we in 1 Petrus 2: "Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis." Dat is heel wonderlijk. Heb je ooit een steen zien leven? Maar God zegt: dat gebouw, dat Godsgebouw wordt gebouwd door levende stenen. En dat is Evangelie, als u hier vanavond zit en u zegt: mijn hart is zo koud en zo dood en ik ben zo dood in zonden en misdaden en ik kan helemaal niets doen. God weet van dode stenen levende stenen te maken. Wat een God! Wat een majesteit, om van iets wat finaal dood en koud en hard is, iets levends te maken.
En dan moest ik toch denken aan wat de Heere Jezus ook tegen die Farizeeën zegt in Mattheüs 3: "Want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken." God kan van stenen leven maken. En dat doet Hij, dat doet Hij. En zo doet God dat al vanaf de zondeval. Dan gaat God zomaar de tijden der eeuwen door. En dan ziet Hij al die dode stenen liggen. Gans dood, en God ziet ze en Hij wekt ze tot leven. Hij plaatst ze op dat Godsgebouw.
Zullen we dan vanavond afspreken dat we nooit meer zullen roemen als we genade mogen kennen? Wat hebt u er dan aan gedaan? Maar God heeft het gedaan. Heeft u van dood levend gemaakt en op Christus geplaatst en gefundeerd. Als u dat wil, dan kunt u daar nog wat over lezen in Jesaja 51. Daar spreekt de HEERE bij monde van Jesaja dat volk aan en dan zegt Hij: "Aanschouwt de rotssteen, waar gijlieden uitgehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waar gij uitgegraven zijt."
God zegt tegen dat volk: kijk nu eens terug waar je vandaan komt. Kijk nu eens terug dat je uit een rots bent gehaald. Dat je uit een stenen put bent uitgehouwen. En de kanttekeningen verwijzen dan naar de verstorvenheid van Abraham en van Sarai, dat zij, terwijl ze verstorven waren, als het ware zo dood waren als een steen, om zo te zeggen, dat God ze toch vruchtbaar gemaakt heeft. En zo doet God dat vandaag de dag nog. Hoopvolle boodschap, hè? Toch?
Je moet maar een kind hebben wat zo dood is als een steen. Je moet maar een vrouw hebben die zo dood is als een steen, of een man. Je moet maar een vriendin hebben waar je al zo lang je zorgen om hebt, maar ze is zo hard en ze is zo koud. Hoor vanavond: hier is een God, hier is een Christus, Die spreekt. Dode stenen horen, en als ze de stem van de levende God horen, dan leven ze. Het is zo'n wonder. Zo'n wonder.
Zonder hamerslag
En hoe doet God dat nu? Maar toen moest ik toch wat terugdenken aan de tempelbouw. De tempelbouw onder de leiding van Salomo, dat wordt beschreven in 1 Koningen 5 en 1 Koningen 6, onder andere. En daar lezen we eigenlijk heel mooi hoe dat eraan toeging. Daar lezen we dat de stenen werden uitgehouwen. In het dal werden die stenen bewerkt en bearbeid, en er moest hier een stuk af en daar een stuk af en daar moest het wat minder ruw gemaakt worden. En zo werd heel die steen klaargemaakt en dan werd het vervoerd naar de tempel.
Dan denk je: als die hele tempel gebouwd wordt, dan is het toch een geweldig kabaal van arbeidslieden en hamers en bijtels enzovoort. Maar er werd geen hamerslag gehoord. Dat is mooi, hè? Op die tempelplaats waar die tempel gebouwd werd, was het stil. Daar kwamen die stenen aan en die waren helemaal bewerkt en helemaal op maat, en die werden zo ingevoegd. Zo pas.
Ik dacht: wat een machtig beeld van het werk van God de Heilige Geest. Wat een machtig werk, dat voorbereidende, overtuigende, ontgrondende, ontblotende werk van de Heilige Geest, waardoor Hij ons in de weg der ontdekking en ontgronding alles afneemt wat niet past in dat Godsgebouw. Hier wat eraf, daar wat eraf, wat goede voornemens eraf, wat eigen gerechtigheid eraf, wat welmenendheid eraf, wat goedheid eraf. En je kreunt het uit en je zegt: het is al meer verloren en al meer onmogelijk om ooit nog zalig te worden, moet er dan nog meer af, HEERE? Ja, totdat die grote Bouwmeester het ogenblik daar acht dat Hij u zo helemaal zonder hamerslag invoegt in dat Godsgebouw.
En wie genade kent vanavond, die weet wat ik bedoel. Wat kan dat eraan toegaan als de Heilige Geest in je leven komt en je gaat overtuigen van zonde en van oordeel. Wat kan het eraan toegaan als je aan alle kanten wordt afgehouwen en aan alle kanten wordt bewerkt door de Heilige Geest. Wat een beroering, wat een verdriet, wat een pijn, wat een moeite, wat een angst soms. Ja, soms doet de HEERE dat in een paar uur, of soms in een paar weken of maanden, soms jaren. Maar op die dag, in dat uurtje der minne, als God je ziel redt, dan is het zo stil. Dan is het zo stil. Dan houdt al dat hameren op, en al dat afsnijden en afhouwen en bewerken houdt op.
En dan voegt God als het ware, in het suizen van een zachte stilte, mijn ziel zo in, in het Godsgebouw. Nee, in de weg van de overtuiging en ontdekking enzovoorts, ja, dan spaart God geen vlees. Maar als het uurtje der minne gekomen is, dan is het zo zoet, zo stil, zo teer om zalig te worden. En wat kan een mens in de weg der ontdekking denken: wil het van mij ooit goed komen, dan moet er wel een geweldige donderslag komen, of een geweldige stormwind, of een geweldig machtsvertoon. Maar weet u, weet u, God doet het in het suizen van die hele zachte stilte. Zo ingevoegd in dat Godsgebouw.
Ja, en daar gebruikt de HEERE Zijn dienaar voor, dat heb ik ook gelezen in 1 Korinthe 3. Maar Paulus zegt: "Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd." Dus elke ware dienaar van het Evangelie moet fundament leggen. En Paulus zegt: ik heb het fundament gelegd en een ander bouwt daarop. Dat mag. De een is geroepen om meer het fundament te leggen, de ander mag meer gebruikt worden om dat Godsgebouw als het ware op te bouwen. Ik moet zomaar denken aan welbekende voorbeelden, dat sommige predikanten een ontgrondende bediening hebben, een alles afsnijdende bediening hebben, een alleen maar wijzen op Christus als het enige fundament en al het andere afsnijdend. En dan soms mag er daarna een andere predikant komen die door de HEERE gebruikt wordt om al die afgehouwen en gebeitelde stenen als het ware zomaar in te voegen op dat goedgelegde fundament.
Paulus zegt: mij is de genade Gods gegeven om als een wijs bouwmeester dat fundament te leggen. Dan waarschuwt Paulus er wel voor dat als je op dat fundament gaat bouwen, dat dat wel ook op een verkeerde manier kan gaan. Ik zal er vanavond niet al te veel over zeggen, maar leest u dat maar eens na. Dat je daarop kan bouwen met goud en zilver enzovoorts, met edelstenen. Maar je kunt er ook op bouwen met hout en hooi en stoppelen. Dus dat fundament moet goed zijn, maar dat bouwen op dat fundament, dat is ook nog wel een zaak die goed moet gaan. Maar laat ik dat vanavond maar even laten rusten.
Een steen des aanstoots
Dus vanavond hebben we gehoord dat ontzaggelijke, dat wij van nature als dode stenen liggen in de modder van de zonde. We hebben gehoord hoe Christus gekomen is als de Enige Die fundamentsteen kan zijn, en Zich zo heeft laten vernederen, dat Hij Zich heeft laten begraven om fundament te zijn voor zondaren. We hebben gehoord hoe God de Heilige Geest in staat is om van dode stenen levende stenen te maken. Hoe dat voorbereidende werk van de Heilige Geest, niet aan voorbijgaan, niet allemaal maar wegwimpelen. Dat is nodig om ingevoegd te kunnen worden in dat Godsgebouw.
Maar helaas, zegt Petrus in 1 Petrus 2, er zijn er ook bij, mensen, die zich hieraan stoten. Van de ongehoorzamen wordt gezegd: "De Steen, Die de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een Steen des aanstoots en een Rots der ergernis, degenen namelijk, die zich aan het Woord stoten." Dus dat kan ook. Dat dat fundament, die Steen gelegd is, maar dat u met uw godsdienst en met uw rechtzinnigheid en met uw degelijkheid en met uw keurige leven eigenlijk zegt: ja, ik wil best wel op dat fundament gelegd worden, maar nee, ik wil niet bearbeid worden. Ik wil niet dat mij alles wordt afgenomen. Ik wil niet dat mij alles wordt afgesneden. Kan ik niet gewoon zoals ik ben worden geplaatst op het fundament? Nee.
En aan dat woord stoten velen zich. U kunt niet met alles wat u heeft erop. U moet met alles wat u heeft verloren gaan en u moet alles wat u heeft kwijtraken om als het ware moede, arm en naakt geplaatst te worden op dat fundament. Ja, en velen stoten zich daaraan, terwijl, opmerkelijk, Petrus zegt dat ook de bouwlieden zich daaraan ergeren en dat ook de bouwlieden Christus verwerpen. Er zijn predikanten, er zijn voorgangers die u funderen, maar niet op Christus. Dat zeg ik niet, dat zegt Petrus.
Er zijn voorgangers die Christus als het fundament verwerpen, die Christus als een steen des aanstoots zien, die u willen funderen. Waarin? Bij sommigen mag u zelf kiezen. Dan maakt het eigenlijk zo heel veel niet uit waar u zich in fundeert, als u zich maar goed voelt en fijn voelt en prettig voelt en comfortabel voelt en bemoedigd voelt en getroost voelt, maar dat u moet worden afgesneden en alles moet kwijtraken en in Christus moet worden gefundeerd, nee, dat is een steen des aanstoots, een rots der ergernis. Zie toch toe, geliefde vrienden, dat u daarin uzelf goed en waar beproeft, dat u ook degenen die u het Woord verkondigen beproeft.
U zegt: moet dat nu? Waarom moet dat allemaal zo kritisch en zo negatief en zo zwaar? In 1 Korinthe 3 hebben we zojuist gelezen dat die beproeving van Gods wege ook komt: "En indien iemand op dit fundament bouwt, goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen", en dan komt het: "eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven." Dus u kunt nu misschien die beproeving en die toetsing en die scherpe vragen van het Woord van God zien te ontlopen, maar de toetsing en de beproeving komt. Uw zijn in Christus, dus uw plaats op het fundament Christus, wordt beproefd door vuur. En dan zal hooi en stoppelen, et cetera, allemaal verbranden. Wat blijft er over als het vuur komt?
En ja, dan kunt u denken aan het vuur van de beproeving die komt als het einde daar zal zijn, als de hemel en de aarde voorbij zullen gaan en alles met vuur verbrand zal worden. Daar kunt u aan denken, maar u kunt ook denken aan het vuur van de vervolging en van de beproeving. Wat blijft er over van uw gebouw als de vervolging komt? Wat blijft er over van mijn gebouw als het vuur van de vervolging het beproeven zal? En wat is het dan nodig om door God op het fundament geplaatst te zijn? Om die wonderlijke woorden te kennen, zielsbevindelijk: Gods gebouw zijt gij. Dat God dat tegen u gezegd heeft: u bent Mijn gebouw, u bent als een levende steen ingevoegd, gefundeerd op Christus. O, dan kan alles losbranden in je leven, dan kan alles erop afkomen, maar dan ben je zo vast gefundeerd op Christus, dan kunnen hemel en aarde vergaan, maar u staat vast en zeker.
Het draagvermogen van het fundament
Ja, wat is dat toch een wonderlijke steen. Een wonderlijke grondslag. Want weet u, lieve vrienden, het is natuurlijk nogal van groot belang hoeveel draagvermogen een fundamentsteen heeft. Want je kunt natuurlijk een heel gebouw bouwen, maar als dat fundament niet sterk genoeg is, dan gaat alles uiteindelijk kapot. Dan scheuren de muren en stort het wellicht in het geheel in. Dus vanavond zegt een zondaar: maar is dat fundament van Christus dan zwaar en sterk genoeg? Dit fundament, deze Christus, is sterk genoeg om zondaren te dragen van het allerzwaarste kaliber.
Deze fundamentsteen Christus is sterk genoeg om een Simson te dragen, die in de schoot van Delila, een hoer, gelegen heeft. Als hier vanavond iemand zit die zegt: en zo ben ik, dit fundament heeft genoeg draagvermogen om u te dragen. Dit fundament is sterk genoeg om Rachab de hoer te dragen. Dit fundament is sterk genoeg om een Petrus te dragen, die zegt: "Ik ken den Mens niet." Het fundament is sterk genoeg om de zonde van een David te dragen, sterk genoeg om de zonde van een Salomo met duizend vrouwen te dragen. Het fundament is zo krachtig, zo sterk, dat u met al uw zonde en al uw ongerechtigheden op deze fundamentsteen leunen kan. Niemand is ooit te zwaar gebleken voor deze fundamentsteen.
U zegt: hoe kan dat nu, hoe kan die zo sterk zijn? Omdat die zo diep gelegd is. Omdat die zo diep gelegd is, zo diep gefundeerd is. Christus is zo diep eronder doorgegaan, Christus heeft zo diep en zwaar geleden om de zwaarste zondaren te kunnen dragen. En wat is het inmiddels al een groot gebouw, hè? Wat zijn er al miljoenen, miljarden ingevoegd op dat grote fundament? En wat staat het alles nog krachtig en stabiel? Nee, niemand kan vanavond zeggen: deze machtige rots is te slap, is niet in staat om mijn zonden te dragen.
O nee, God heeft deze kostelijke steen gelegd voor dit bijzondere doel, zegt Leighton, dat arme zondaren erop rusten mogen. Bent u vermoeid, belast, beladen? Kunt u het niet meer dragen? Ziet u uw zonde voor ogen zweven? Zegt u: ik wil wel vluchten, maar kan nergens heen. Mijn zonden zijn zo onuitsprekelijk veel. Als ik mijn ogen dichtdoe om te bidden, dan zie ik ze. Als ik de stilte opzoek, hoor ik ze.
Als ik in de kerk zit, denk ik eraan. Het is één grote zonde. Hier is een fundamentsteen Die bereid is en machtig is om u met heel dat verloren bestaan te dragen. Echt waar, hoor. Met al degenen die al afgestorven zijn, die al op dit fundament staan, en al degenen die nu nog op de aarde leven, en al degenen die nog zullen leven, die zijn uitverkoren om een plaats te krijgen op dit fundament. Ze zullen allen gedragen worden en Hij zal geen krimp geven.
Ryle is daar wel heel scherp in. Hij zegt: een menigte van mensen, en ik wil niet pijn doen, maar toch, een menigte van mensen zijn er die zich het geloof inbeelden. Ze liggen rond het fundament, bij het fundament, als losse hopen stenen, heel dicht bij het fundament, maar ze liggen niet op het fundament. En dan zult u vergaan. Dat is heel ontzettend. Maar dan zult u vergaan. Dan zal ik vergaan, met al mijn mooie praat en met al je geestelijk werk en met alles wat je doet.
Je kunt helemaal tegen Christus als het ware aanliggen en je kunt zeggen: eigenlijk is het als het ware alsof ik helemaal één ben met Hem, maar bent u met Hem verenigd? Bent u in dat Godsgebouw ingevoegd? Ryle zegt: met deze vraag moet u naar God toe, met deze vraag moet u worstelen, u moet dat zeker weten, dat u in dat Godsgebouw bent. Bezie uw grondslag, zegt hij. U kunt wel zeggen: ik ben lid van de kerk, en van de beste kerk, en van de beste dominee, en wij hebben de beste dogmatiek, en we hebben alles voor elkaar, hè. Maar dat maakt allemaal niks uit. Als straks de storm komt en als straks het vuur komt, bent u dan met Christus verenigd?
Gesmaakt dat de Heere goed is
Ja, nu zegt u vanavond: kom, kenmerken dan. Dan moet ik toch weten hoe ik dat weten kan. Dat is best heel wonderlijk. Petrus, als hij schrijft over die levende stenen die worden ingevoegd in dat Godsgebouw, dan zegt hij: dat zijn degenen die gesmaakt hebben dat de Heere goed is. Dat is wel bijzonder, hè? Heeft u ooit een steen gezien die smaken kan? Ooit een steen gezien die proeven kan? Ooit een steen die voelen kan?
Maar deze levende stenen hebben gesmaakt dat de Heere goedertieren is. Ik weet dat ik dit vanavond niet uitputtend kan uitdiepen, maar één van de ware kenmerken van Gods werk in uw leven is (en toetst u zich daar maar aan) dat u bent gaan zien (voor het eerst in uw leven) dat God goed is. Zo goed, dat heb je van je leven nog nooit gezien, dat Hij zo goed en zo vriendelijk is, zo liefdevol, zo vol warmte, dat is niet te zeggen, dat kun je niet bij elkaar redeneren, dat kun je eigenlijk alleen maar, zegt Petrus, smaken. "Smaakt en proeft dat de HEERE goed is." En als je dat voelt en als je dat proeft, dan gebeuren een paar dingen tegelijk. Dan ben je ten eerste direct bedorven voor al het andere van de wereld, want niets is zo zoet als de goedheid van de HEERE.
Maar het tweede wat gebeurt is: als deze God dan zo goed is en zo vriendelijk en zo liefdevol, wat een schrik, wat een schrik als je er dan achter komt dat het tussen die goede God en mij niet goed zit. Ik zeg het maar heel eenvoudig: Hij is zo goed, maar ik ben zo slecht. U kunt praten over slecht zijn, maar als u nooit gezien hebt dat God goed is, weet je wezenlijk niet wat slecht zijn is. En hoe meer je gaat zien van Gods goedheid, hoe meer je gaat zien van je eigen slechtheid en van die hemelhoge schuld die tussen die goede God en mijn ziel staat.
En ja, je kunt die goede God proberen over te halen om over al uw zonden en schuld heen te gaan en op die manier goed te zijn. Dat is onze definitie van goed: om over die zonde allemaal heen te stappen, maar dat doet deze goede God niet. Nee, nee, want dan zou Hij niet goed meer zijn. Hij is zo goed, zo volzalig goed en zo heilig, zo rechtvaardig, zo, kon ik het u toch laten proeven, zo goed, dat Hij het kwade niet kan doen en met het kwade ook geen gemeenschap kan hebben, en dat betekent dat u van nature buiten de gemeenschap met deze goede God staat.
Dan word je verdrietig. Dan word je verdrietig, zo verdrietig ben je nooit geweest. Want dan ga je deze goede God missen. Voorheen, dan hoor je dat wel, en dan zeg je: ja, God missen, ja, wat mis ik eraan? Maar nu heb je iets geproefd en iets gesmaakt van hoe goed Hij is, en nu is Hij niet jouw deel, en is Hij niet jouw God, en is Hij niet jouw goede God. Ja, dan ga je wenen. Dan ga je wenen van heimwee naar deze goede God.
En dan kan de hele wereld alles aandragen wat ze maar willen. Alles. Goud, goed, vriendschap, aardse liefde. Alles wat ze maar bedenken kunnen, kunnen ze in vrachtladingen bij je brengen. En je bent en je blijft ongelukkig. Kent u dat? Dan ben je zo ongelukkig, terwijl je alles misschien wel hebt in je leven, en toch ongelukkig. Waarom ben je nu zo ongelukkig, man? U zegt: Omdat God goed is. Ja maar, daar word je toch niet ongelukkig van? Ach, zucht u, die goede God mis ik. Het zit niet goed tussen die goede God en tussen mij. Dat is een ontzaggelijke droefheid naar God, en dat is een droefheid naar God die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Ja, dan moet het goed komen tussen die goede God en mij, anders sterf ik van ellende en van heimwee, heimwee naar God. Dus Petrus zegt: wat zijn nu die stenen, die levende stenen? Die weten er iets van, die hebben gesmaakt dat de Heere goed is.
Ik zal gelijk een klein stukje verder gaan. Ryle zegt: die kun je kennen aan dat ze berouw hebben gekregen over hun zonden. Dat is toch niet vreemd. Dat is toch niet vreemd. Als God zo goed is, en ik zo vaak op dat goede hart van God getrapt heb, ja, dan kan het toch niet anders dan dat ik daar berouw van krijg, en verdriet van heb, en spijt van heb. Dus dat hoort bij elkaar, dat smaken van de goede God en dat erkennen van mijn slechte ik.
En weet je, uiteindelijk, hoe meer ik ga zien van die goede God en hoe meer ik ga zien van mijn slechte ik, ik heb dat al heel vaak gezegd, maar zeg het vanavond opnieuw, dan worden die goede God en die slechte ik het samen eens. Echt, hoor, die worden het samen eens. Het kan wel een poosje duren, want je bent nogal eigenwijs en je denkt: ik heb nog dit en ik heb nog dat. Maar uiteindelijk worden die goede God en ik het eens. Waarover worden we het dan eens? Dat God goed is en ik slecht, en dat God naar recht voor eeuwig aan mij voorbij moet gaan, en dat God naar recht nooit meer naar mij hoeft om te zien, en dat God naar recht mij schuldig mag keuren.
En weet u, daar ligt zoveel zoetigheid in om het daarmee eens te worden, want dan versmelt je als het ware in de goedheid van God. Ook al ga ik dan verloren met alles van mezelf, weet u wat je dan zegt, misschien niet met die woorden, maar dat is wel de kern: mag ik nog één gebedje doen, HEERE? Als ik dan, o goede God, verloren moet gaan, mag ik dan in de hel gaan vertellen dat U goed bent? U zegt: dat kan niet. Ja, maar dat is nu uw verstand. Maar dat versmolten worden in Gods goedheid, ja, dan ga ik, dan verdwijn ik helemaal, dan blijft er niets van mij over. Dan zeg ik: HEERE, wat U doet is goed, eeuwig.
U zegt: maar dan heb je helemaal niks meer. Nee, precies. Maar dan is het helemaal verloren. En nu, nietshebbend en helemaal verloren zijnde, plaatst die dierbare Heilige Geest mij op dat fundament Christus.
Woning bij u maken
En wat gaat er dan gebeuren? Wat gaat er dan gebeuren? We komen vanavond tot het meest tere en het meest indrukwekkende van deze avond. We lezen in Johannes 14: "Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben", en dan komt het vanavond. Ik kan me bijna niet voorstellen dat er een indrukwekkender gedeelte in de Bijbel staat: "en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken." Dit moet je wegen.
Dus ik lig in de modder van de zonde. Dood en verloren. En dan komt God door Zijn Geest. Hij wekt mij tot leven en Hij fundeert mij in Christus Jezus. Zo word ik van een Ander. Zo word ik ingevoegd in dat Godsgebouw. In deze weg krijgt u God de Vader zó lief. Als u de Vader en de Zoon dan zó lief mag hebben, dan zegt Christus: dan zullen Wij samen, Ik, de Vader en de Heilige Geest, komen. Dan zullen Wij woning bij u maken. Dan ben je niet alleen een onderdeel van dat gebouw van God, maar de drie-enige God zegt, met eerbied gesproken: dan komen Wij gedrieën bij u wonen. In je hart, in je leven, in dat leven met Christus komt God wonen. Daar begrijp ik helemaal niks van. In Efeze 2 staat: "een woonstede Gods in den Geest." God komt bij u wonen, nee, in u wonen. Wat een wonder.
Eerst lag ik nog verloren in de zonde, schuld, modder, dood, koud, ellendig. Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt en ik het vonnis der wet in mijn leven leerde kennen (om McCheyne maar even te citeren) toen ging ik met alles verloren en hield ik niets meer over. Toen werd ik gefundeerd op dat fundament Christus. En dan komt God in mij wonen. Wat een onuitsprekelijk contrast. Hier lig ik in de modder van de zonde, zeker wetend dat ik, als ik daar blijf liggen, voor eeuwig verloren ga. En daar ben ik gefundeerd in dat Godsgebouw, en komt de drie-enige God en zegt: Wij zullen woning bij u maken.
Kunt u zich voorstellen, lieve vrienden, als je dat zielsbevindelijk meemaakt, dat je zou sterven? Dat kan ik toch niet dragen, dat kan dit lichaam toch niet verdragen, als God zegt: Ik kom, en Christus zegt: Ik kom, en de Heilige Geest zegt: Ik kom in je hart. Zo'n liefde, zo'n liefde, je zou sterven van de liefde. En als God die liefde niet mindert, sterf je daadwerkelijk, dat geloof ik echt. Ik geloof dat Mozes ook zo, ook door de HEERE, zomaar doodgekust is. In deze liefde gestorven is. Ja, dan vouw je je handen en zeg je: HEERE, zou U die liefde iets kunnen minderen? Want anders, dan kan ik niet meer leven.
Kind van God, vorige keer hadden we het over stormen. Wat kan het stormen in je leven? Wat kan het verschrikkelijk benauwd en beangstigend zijn? Maar als je een kind van God bent en gefundeerd bent op deze fundamentsteen, zegt de HEERE: maar Ik ben erbij, hoor, en Mijn Zoon ook, en Mijn Geest ook, in uw hart. Dan zijn die woorden uit Mattheüs 16 natuurlijk volstrekt overbodig: "De poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen", natuurlijk niet. Kom. Wat denkt u nu werkelijk?
Als ik in dat Godsgebouw ben ingevoegd, als ik God en Christus en de Heilige Geest tot mijn deel heb, laat dan de satan fel woeden, laten dan de poorten van de hel zich allemaal openen en al die duivelen op me afstormen, maar mij staat een sterke Held terzij. Ik zal niet vrezen, nee, schoon ik door duistere dalen moet ronddwalen in doodsgevaar. Gij zijt met mij. Bent u in dit gebouw? Bent u op Christus gefundeerd? Zijn de Vader, de Zoon en de Heilige Geest gekomen, dan hebben Ze intrek genomen in uw hart.
Ik zeg vanavond één ding, daar moet u over denken, kind van God. Statelijk zijn al degenen die op dit Godsgebouw gefundeerd zijn, de Heilige Geest deelachtig, de Heere Jezus Christus deelachtig en God de Vader deelachtig. Maar ik zeg vanavond iets, daar moet u over denken. Heeft u dat nu ook zielsbevindelijk ondervonden? Want ja, de werking van de Heilige Geest in de overtuiging van zonde en van schuld, dat kent u. En Christus als uw persoonlijke Borg en Zaligmaker, als het fundament, de Rotssteen, Die kent u. Anders bent u niet zalig. En dat God tevreden is met dat offer van Zijn Zoon en dat het tussen u en de HEERE allemaal weer goed is, dat weet u ook.
Maar wat weet u nu, wat kent u van dat persoonlijke gemeenschapsleven met God de Vader, met God de Zoon en met God de Heilige Geest? Ik weet wel, dit is in de kerk scheefgegroeid. Men zei dan dat je wel een kind van God kan zijn, maar dan nog geen Vader hebt. En ik weet, daar wordt dan tegen geageerd, en terecht. Maar ik zou toch een kleine correctie willen plaatsen. Dat het zo is, wil niet zeggen dat u dat ook zielsbevindelijk kent.
En u zou uzelf tekortdoen als u niet God zou aanlopen vanavond na deze lezing en zou zeggen: nu heb ik vanavond gehoord dat U bereid bent om te komen, Vader, Zoon en Heilige Geest, om woning te maken, en ik geloof ook dat U door het geloof in mijn hart woont, maar zou ik dat nu ook eens mogen bevinden? Zou ik eens iets mogen bevinden van die liefde des Vaders? Zou ik eens iets mogen bevinden van die liefde van de Heilige Geest? Zou ik iets mogen bevinden van die liefde van de Heere Jezus Christus, die zoete, dierbare Bruidegom? Er is zoveel te genieten van God. Er is zoveel te ontvangen van God. Hij is zo bereid om zoveel te schenken. Maar: Ik schenk het u, zo gij het smeekt.
Maar vraagt u er nu om? Vraagt u weleens om een kus van Jezus' mond? Vraagt u weleens om een kus van de Vader? Vraagt u weleens om nog eens te mogen ondervinden, om zomaar als het ware in die liefdesarmen van God in Christus te mogen liggen? Vraagt u weleens of het toch u geschonken mocht worden om uw geloofsoor te mogen leggen op het hart van God, om die diepe hartenklop van Zijn liefde nog eens echt te horen? Vraagt u weleens of u nog eens in Zijn schoot mag liggen, om die rommelende ingewanden van Zijn barmhartigheid te horen? "Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken." Maar dan moet u wel gefundeerd zijn op die Grondsteen Christus.
De steigers om het gebouw
Tot slot, want de tijd is voorbij, nog heel kort. Ik zei het al: de poorten der hel zullen de gemeente, dit gebouw van God, niet overweldigen. En tegelijkertijd zegt Luther: Kaïn is Abel aan het vermoorden zolang de kerk op aarde is. U zult absoluut deel hebben aan de vijandschap van de satan en al zijn trawanten als u op dat fundament van Christus geplaatst bent. De duivel haat de ware kerk van Christus met een onsterfelijke haat. En de duivel heeft soms grote successen. Ryle wijst er ook op dat er heel veel gemeenten, lokale gemeenten, in de geschiedenis verdwenen zijn.
We mogen hier vanavond zitten. We mogen hier horen, ook van deze kansel, het Woord, de verzoening, de Christus, de Schriften, de liefde Gods, de werkingen van de Heilige Geest. Maar, zegt Ryle, dat hadden ze ook in de kerk van Efeze, en waar is de kerk van Efeze? Hadden ze ook in Antiochië, en waar is de kerk van Antiochië? Hadden ze ook in Alexandrië en in Constantinopel, in Filippi, in Korinthe, Thessalonica. Waar zijn deze gemeenten gebleven?
En Ryle, die zegt: een van de grootste gevaren is dat wij twee dingen door elkaar gaan halen. De kerk van Christus, om maar eenvoudig te zeggen, met een hoofdletter. Dat Godsgebouw gefundeerd op Christus. Dat staat en de poorten der hel zullen het niet overweldigen. Maar, Ryle zegt, al dat steigerwerk om dat grote gebouw heen. Om dat grote gebouw staan allemaal steigers. En de ene steiger staat HHK op en de andere steiger Oud Ger. Gem. Die steigers gaan allemaal een keer in de brand.
Dus u kunt strijden en vechten en worstelen voor uw steiger, en proberen de steiger van de buurman als het ware om te duwen als het even kan, maar we moeten ons inspannen om te mogen weten dat we op het goede fundament zijn. En die steigers zijn wel belangrijk. Maar weet u wanneer het fout gaat, zegt Ryle? Als die steigers een doel op zich worden. Of sterker nog, als die steigers een gebouw op zich worden. Dan heeft u dat Godsgebouw ingewisseld voor uw kerkgebouw. En dan gaat het mis. En daarom moeten al onze inspanningen, al onze activiteiten als gemeente op één ding gericht zijn: op de opbouw van dat ware lichaam van Christus.
Tot slot, een enkele zin uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Wat is de kerk? "Wij geloven en belijden één enige katholieke of algemene Kerk." En wat is dat dan? "Een heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest." Dat is de kerk. En Ryle, die zegt: dat heeft allerlei kleuren en allerlei liturgieën en allerlei vormen, dat kan allemaal verschillen, ook wereldwijd, maar het fundament is Christus. Het fundament is dat ze allemaal gewassen zijn door het bloed van Christus en allemaal geheiligd zijn en allemaal verzegeld zijn door de Heilige Geest.
En deze Kerk, zegt Guido de Brès, "wordt van God bewaard en staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld." Maar die Kerk "is niet gelegen in een zekere plaats of aan zekere personen, maar is verspreid en verstrooid door de gehele wereld, nochtans tezamen gevoegd en verenigd zijnde met hart en wil in eenzelfde Geest, door de kracht des geloofs." Bega niet de grote fout van uw leven, dat u uw hele leven druk bent om de kerk als instituut te bouwen, maar vergeet die grote vraag: ben ik in dat Godsgebouw ingevoegd? En ja, dat Godsgebouw heeft in deze tijd ook vormen en instituten nodig, dat ben ik met u eens, maar de volgorde is vanuit Christus een kerk, en niet de kerk als een doel op zich.
We gaan vanavond eindigen. Gaat u naar huis, niet te snel, niet te snel zeggen: ik ben op dat fundament gefundeerd. Niet te snel, u kunt beter uzelf beproeven en toetsen. U kunt beter uzelf het vuur eens aan de schenen leggen in deze tijd, voordat God het doet en blijkt dat het hooi en stoppelen waren. U zegt: maar dat u dat nu vanavond zegt, straks dan ga ik met alles over de kop. Maar als u op dat vaste fundament gefundeerd bent, dan gaat u misschien over de kop, maar bent u nog steeds op het fundament. En als u ernaast ligt, dan kunt u maar beter over de kop gaan. Ik ook.
Laten we onszelf beproeven, ja, zeer nauw, of wij op dit fundament Christus gefundeerd zijn. Wat zijn we dan veilig. Wat gaan we nog meemaken met onze kinderen? We weten het niet. Wat voor tijden komen er nog op ons af? Als we op dat fundament zijn, o wonder: Ik, zegt de Vader, Ik, zegt de Zoon, Ik, zegt de Heilige Geest, kom bij u wonen.