Gratis verzending vanaf 2 exemplaren!

Hosea 6: 4 “Wat zal Ik u doen, o Efraïm! Wat zal Ik u doen, o Juda! Dewijl uw weldadig­heid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat.” 

In deze tekstwoorden betreurt God het als het ware, dat de indrukken bij zijn volk Israël zo van  voorbijgaande aard waren, zodat Hij vragen moest: “Wat zal Ik u doen?” In vers 5 verklaart de Heere, dat Hij hen scherp bestraft had door de profeten, en hen gedood had door de rede Zijns monds en dat hun oordelen zouden voorkomen aan het licht. Nu eens deed Hij hun de dreigende ontzettende verkondiging van Zijn naderende oordelen in de oren klinken; dan weer maakte Hij de roepstemmen van Zijn liefde en genade zo liefelijk en zo talrijk als de stralen van de zon. Maar het ene zowel als het andere maakte slechts een oppervlakkige indruk op Zijn volk.

Wel werd hun aangezicht door een wolk van treurigheid overdekt, wel sprankelde een traan van berouw in hun oog, maar die was weldra weer ver­dwenen. Hij was gelijk een morgenwolk en als de vroegkomende dauw, die henengaat. Zo is het ook met al de onbekeerden in ons midden, waar het einde het verderf van zal zijn. God deed hen dit jaar door Zijn gezanten tot bekering vermanen. Hij bestrafte hen door Zijn profeten, en doodde hen door de rede Zijns monds. Ook deed Hij liefelijke bemoedigende roepstemmen tot hen komen; Zijn oordelen kwamen voort als het licht. Zij denken daarover na, een lichte indruk wordt op hun gemoed teweeggebracht, om spoedig weer uitgewist te worden. “Wat zal Ik u doen, o Efraïm?”

De waarheid, dat de indrukken, in het gemoed van natuurlijke mensen voort­gebracht, slechts van voorbijgaande aard zijn.

  1. Bewezen uit de Schrift

Talloze voorbeelden uit de Schrift zijn, tot staving van deze stelling, voor­handen.

 De vrouw van Lot.  Zij was reeds ten dele het verderf ontvloden. Het bezorgde gezicht van de beide engelen, hun vreselijke woorden en hun liefdevolle zorg om hen te redden, maakten diepe indruk op haar gemoed. Daarbij de angst van Lot en zijn waarschuwende woorden tot zijn schoonzonen, zonken haar in het hart. Zij vlood met angstige schreden; maar toen de dag aanbrak, begon die pijnlijke bezorgdheid te bedaren. Zij zag om, en werd een zoutpilaar.

Israël aan de Rode Zee. Toen Israël veilig door de diepe wateren geleid was en zijn vijanden daarin verdronken zag, zong het Gode lof. Hun hart was getroffen door de verlossing, die God hun beschoren had. Het ganse volk zong dit lied: “De Heere is mijn kracht en mijn lied, en Hij is mij tot heil geweest”. Zo zongen zij Zijn lof, maar zij vergaten wel­haast Zijn daden. Drie dagen later, en zij murmureerden tegen God over de bitterheid van het water.

Eens kwam een jongeling in hevige gemoedsbeweging tot de Heere Jezus, viel voor Hem op de knieën en zei: “Goede Meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven beërve?” De overtuiging van de ongenoegzaamheid van zijn deugd in het oog van God, had een vluchti­ge indruk op zijn gemoed teweeggebracht; nu knielde hij aan de voeten van Christus, maar het was de laatste maal dat de Heere hem daar zag; hij ging bedroefd weg. Zijn weldadigheid was als een morgenwolk.

Eens predikte Paulus voor de Romeinse stadhouder Felix, en toen hij handelde van rechtvaardigheid, matigheid en van het toekomende oor­deel, werd Felix bevreesd. De verkondiging van het Evangelie deed de trotse Romein sidderen op zijn troon, maar werd zijn ziel er ook door behouden? Helaas neen! “Voor ditmaal ga heen, als ik gelegener tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen”. Zijn weldadigheid was gelijk een morgenwolk.

Op een andere tijd predikte Paulus voor de koning Agrippa en de scho­ne Bernice, en voor de oversten over duizend en de voornaamste man­nen der stad. Zijn taal trof Agrippa’s hart – een traan blonk in zijn koninklijk oog – een ogenblik dacht hij eraan, om alles te verlaten voor Christus. “Gij beweegt mij bijna een Christen te worden”. Maar ach! Zijn weldadigheid was als een morgenwolk, en als de vroegkomende dauw. In al deze voorbeelden zien wij de wolk van treurigheid over het gezicht uit­gebreid, de dauw voor een ogenblik glinsterend in het oog, maar om weldra weer te verdwijnen en niets dan een verhard stenen hart achter te laten.

  1. Bewezen uit de ervaring

De meeste mensen hebben onder de Evangelieverkondiging hun tijden van opwekking. Als deze indrukken bij natuurlijke mensen blijvend waren, zouden de meesten behouden worden; maar wij weten dat dit geenszins het geval is. Velen zijn er die Hem zoeken, Weinigen zijn er die Hem vinden. Wellicht zou ik niet te ver gaan, als ik veronderstel, dat er geen tien volwassenen in deze vergadering aanwezig zijn, die zich nooit in meer of mindere mate over het heil van hun onsterfelijke ziel bekommerd hebben; en toch vrees ik, dat er velen van u voor eeuwig zullen verloren gaan.

Hoe velen ondervonden een tijd van opwekking in hun jeugd – toen een gelovige moeder vurige gebeden voor hen ten hemel opzond, een vrome vader hen vermaande, of een godvruchtig onderwijzer hen de weg des levens aanwees. Voor hoe velen werd de zondagsschool de plaats, waar zij gezegende indrukken mochten ontvangen? Maar zij zijn henen gevaren als een morgenwolk en als de vroegkomende dauw.

Bij uw eerste Avondmaalsviering; toen u voor het eerst met uw leraar over uw zielstoestand sprak; en zijn ernstige vragen en getrouwe verma­ningen hoorde; toen u uit zijn hand het teken van uw aannemen tot lid­maat der kerk ontving; toen u voor de eerste maal aanzat aan de dis des Heeren en daar brood en wijn mocht ontvangen, toen ging u huis­waarts en zocht de eenzaamheid. Maar spoedig was deze indruk weer uit­gewist. De wereld met haar vermaken en haar zorgen trokken u weer tot zich, en alles ging voorbij als een morgenwolk en als de vroegkomende dauw.

Bij een ernstige ziekte. Hoe velen werden op het ziekbed neder geworpen, en daar als het ware genoopt om over de rand van het graf heen te zien? Zij sidderen, als zij het indenken, hoe weinig zij bereid zijn om te sterven; nu beginnen zij de Heere plechtige geloften te doen, en nemen het vaste besluit, zo Hij hun het leven spaart, slecht gezelschap te vermij­den, te bidden en hun Bijbel te lezen; maar zodra zij weer opgericht zijn, worden de goede voornemens vergeten, gelijk een morgenwolk en als de dauw, die henengaat.

Bij een eerste sterfgeval in uw familie. Welk een diepe indruk maakt dit op een gevoelig hart. Die liefelijke kring rond de huiselijke haard is verbroken, en hij kan nooit weer aangevuld worden. Dan begint men te bidden – zich te bekeren tot Dien, Die ons sloeg. Wellicht beloofden zij bij het verstijfde lichaam neergeknield, niet langer de zonde en de ijdelheid te zullen dienen. Of terwijl zij hun dierbaren naar de laatste rustplaats volgden, terwijl hun ogen met tranen gevuld waren, beloofden zij hun zonden en ijdelheden in dit graf van hun geliefden voor eeuwig achter te laten. Maar weldra is deze gemoedsstemming weer geweken, de tranen zijn afgewist en het gebed wordt vergeten. De wereld her­neemt haar vorige plaats en heerst in het hart. Hun weldadigheid is als een morgenwolk.

In een tijd van algemene, geestelijke opwekking ontvangen velen ster­ke indrukken. Zij worden bekommerd over hun ziel door het aanschou­wen van de bekommering van anderen, die toch niet slechter zijn dan zij. Velen worden in hun binnenste ontroerd, al hun zielsaandoeningen komen in beweging. In velen wordt zelfs een vurig verlangen naar beke­ring opgewekt, zij wenen en bidden. Het heeft Jonathan Edwards horen getuigen, dat er in de gehele stad nauwelijks iemand onbewogen was gebleven, in elk huisgezin waren tekenen van de tegenwoordigheid Gods aan te wijzen. Zo is het ook hier geweest; en toch als die tijd van opwekking voorbijge­gaan is, hoe spoedig zinken zij dan in hun vorige onverschilligheid terug. Hun weldadigheid is als een morgenwolk.

Mijn geliefde vrienden! U bent mijn getuigen; hoewel ik er niet van ver­zekerd ben, meen ik toch bijna met zekerheid te mogen veronderstellen, dat de meesten onder u, hetzij vroeger of later, de wroeging van een ontwaakt geweten hebben gevoeld; en toch is het God en uw geweten bekend, hoe vluchtig deze indrukken geweest zijn. Evenals een dunne morgenwolk boven de toppen der bergen henen drijft, en de dauw op de kruin der rotsen droogt en de rots onveranderd laat, zo zijn die goede indrukken bij u voorbijgegaan en hebben uw stenen hart onveranderd gelaten. Zo is het bij degenen die verloren gaan. De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens, en de hel vervult met mensen die eenmaal over het lot van hun ziel geweend en gebeden hebben. “Wat zal Ik u doen, o Efraïm!”

  1. Hoe die indrukken langzamerhand weer verflauwen.

Zodra de natuurlijke mens bekommerd wordt over het heil van zijn ziel, begint hij getrouw gebruik te maken van de middelen der genade.

In de eerste plaats in het gebed. Als de mens bevangen is van de vrees voor dood en hel, dan poogt hij te bidden, en ondervindt onder deze werkzaamheid dikwijls liefelijke en zielsvertederende aandoeningen en gezichten. Zolang de op hem teweeg­gebrachte indrukken blijven voortduren, zal hij deze plicht getrouw ver­vullen. Maar zal hij volstandig blijven aanhouden in het gebed? Als zijn bekommering over zijn zonden ophoudt, zal ook zijn levendige behoefte aan het eenzame gebed trapsgewijze beginnen te verminderen. Niet op eenmaal, maar langzamerhand zal hij zijn gebedsoefening laten varen. Nu eens wordt hij in gezelschap opgehouden, dan weer wordt al zijn tijd noodzakelijk voor zijn bezigheden vereist, een andermaal rooft de slaap hem de uren, die anders aan het stille gebed worden toegewijd, zodat dit ten laatste geheel wordt verzuimd. “Wat zal Ik u doen, o Efraïm?”

Ten tweede in de prediking van het Woord. Als de natuurlijke mens een geestelij­ke opwekking ontvangt, komt hij getrouw tot de prediking van het Woord. Hij weet, dat God aan het woord der prediking een bijzondere zegen ver­bonden heeft, dat het Hem behaagt, door de dwaasheid der prediking hen zalig te maken, die geloven. Hij wordt een getrouw hoorder van het Woord; hij drinkt de woorden van de predikers als het ware in; hij luistert met ingespannen belangstelling. Als er in de loop van de week ‘s avonds gepre­dikt wordt, brengt hij met des te groter ijver zijn dagtaak ten einde om daar naar toe te kunnen gaan. Maar zodra zijn bekommering begint te wij­ken, zal eerst de godsdienstoefening in de week hem te lastig worden, vervolgens ook de christelijke samenkomsten op de sabbath, daarna zoekt hij wellicht een minder getrouwe verkondiging van de waarheid, waar­onder hij tot de dag zijns doods en des oordeels in zijn zondeslaap kan voort sluimeren. Ach! Zo is het met duizenden in deze stad gegaan: “Wat zal Ik u doen, o Efraïm!”

Ten derde in het troost zoeken bij leraars. Als de ziel van de mensen door gewe­tensangst gefolterd wordt, komen zij dikwijls tot de herders, die Christus over Zijn gemeente gesteld heeft, om bij hen raad en troost te zoeken. Zij komen “al gaande en wenende, om de Heere hun God te zoeken; zij vragen naar de weg naar Sion”. Zij gaan tot de wachters, zeggende: Hebt gij Dien gezien, Dien mijne ziel liefheeft? Zulke zielen de goede weg te wijzen, is de plicht van een getrouw Evangeliedienaar, want: “de lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van de Heere der heirscharen”. Maar als de bekommering over de zonde begint te verflauwen, dan houdt ook dit vragen op. Velen komen eens tot hun leraar, die daarna de drempel van zijn woning nooit weer betreden. “Wat zal Ik u doen, o Efraïm!”

Ten vierde in vermijden van de zonde. Zo lang de mens door zijn goede indruk­ken bestuurd wordt, vermijdt hij alle erkende zonde, hij ontvlucht haar, waar hij ze ontmoet. Hij begint zijn leven te beteren, zijn ziel is gelijk een huis, dat met bezemen gekeerd en versierd is. Maar als zijn bekommering over zijn zonden verflauwt, dan ontwaken zijn boze begeerlijkheden met vernieuwde kracht, en hij gaat terug gelijk de hond wederkeert tot zijn eigen uitbraaksel, of de gewassen zeug tot haar wenteling in het slijk. Als de, bij natuurlijke mensen teweeggebrachte indrukken iets tot hun behoudenis vermochten uit te werken, dan moesten zij er heiliger door worden; maar integendeel geven zij zich, als die uitgewist zijn, des te meer aan de zonde over. Zeven duivelen varen daarna in die mens, en het laatste van hen wordt erger, dan het eerste. “Wat zal Ik u doen, o Efraim!”

  1. De oorzaken, waarom de bij natuurlijke mensen teweeggebrachte indrukken zo spoedig verflauwen.

Zij hebben nooit recht gevoeld, dat zij in zichzelf voor eeuwig verloren zijn. De wonden in het hart van de natuurlijke mens geslagen, zijn zel­den zeer diep. Dikwijls is het alleen de vrees, waardoor zij eensklaps wor­den aangegrepen, die hen ontroert. Somtijds is het de nog onverflauwde indruk van de een of andere grote zonde, waaraan zij zich hebben schul­dig gemaakt. Bij anderen is het dikwijls alleen een zekere zucht tot navolging, zij vlieden, omdat zij zien dat anderen dit doen. Dikwijls gevoelden zij zich gedrongen om te verklaren: ik ben een groot zondaar; ik vrees, dat er voor mij geen genade zal zijn. Maar toch gevoelden zij niet, dat zij in zichzelf verloren waren, hun mond is niet gestopt, zij bedekken zich de lippen niet gelijk een melaatse. Zij menen dat een wei­nig gebed, een kortstondig treuren over hun zonden, hun berouw en hun zelfverbetering voldoende zijn, om hun schuld te verzoenen. Zij zien niet helder in, dat al hun goede werken niets kunnen afdoen tot hun rechtvaardigmaking voor God. Als zij er toe gebracht waren om hun reddeloos verloren toestand te gevoelen, en hun behoefte aan de gerechtigheid van Een die meerder is dan zij, te erkennen, dan zouden zij nimmermeer in de wereld bevrediging kunnen vinden.

Zij hebben nooit de liefelijkheid van Christus aanschouwd. Een aan­val van vrees kan de mens wel op de knieën brengen, maar dat brengt hem nog niet tot Christus! Och neen gemeente, nu moet u goed luisteren!, wij moeten door God met koorden van liefde tot Christus Getrokken worden. De natuurlijke mens ziet geen gedaante in Christus, dat hij Hem zou begeren, al is het ook dat hij van zijn zonde overtuigd werd. Zijn ogen zijn niet geopend om Hem te aanschouwen, Dien hij doorstoken heeft, en voor Hem te weeklagen. Onze bede mag dan wel zijn; trek mij Heere, dan zal ik u nalopen!

Als de mens eenmaal de goddelijke heerlijkheid en liefelijkheid van Christus aanschouwd heeft, als hij de volheid van vergeving, vrede en heiligheid, die in Hem is, ontwaart, dan zal hij nimmermeer van Christus afwijken. Zijn pad moge door droefheid en duisternis voeren, toch zal hij weder opstaan en in de stad omgaan, om Hem te zoeken, Dien zijn ziel liefheeft. Het hart dat eenmaal Christus aanschouwd heeft, is van liefde tot Hem vervuld, en kan nergens rusten dan bij Hem, noch met anderen Hem verlaten.

Hij heeft nooit in zijn hart de zonde gehaat. De indrukken, die op de natuurlijke mens teweeggebracht worden, zijn gewoonlijk die van vrees. Zij gevoelen het gevaarlijke van de zonde, maar zijn blind voor het afschuwelijke ervan. Zij zien in, dat God rechtvaardig en waarachtig is, dat de wet gewroken moet worden  en dat de toorn Gods over hen zal worden uitgestort. Zij merken, dat de hel het loon zal zijn voor hun zonden; maar zij gevoe­len niet, dat hun zonden zelf reeds een hel voor hen zijn. Zij hebben de zonde lief; hun hart is niet vernieuwd. De Geest Gods woont niet in hen; daarom zijn alle indrukken, die zij ontvangen, zo lichtelijk uitgewist, alsof zij in het zand geschreven waren. Zij die tot Christus gebracht wor­den, hebben de verfoeilijkheid der zonde leren inzien. Zij roepen niet uit: “Wee mij, want ik verga!” maar “ik ellendig mens!” Zij gaan Christus nodig krijgen als een borg voor hun schuld! Zij gaan door de trekkende liefde van Vader hun toevlucht tot het kruis van Christus.

Er zijn hun geen beloften gedaan, dat God de op hen teweeggebrachte indrukken bestendig zal maken. Degenen die in Christus zijn, zijn de grootste beloften geschonken. “Ik zal Mijn vreze in hun hart geven”, Jesaja 32 : 40. “Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die een goed werk in U begonnen heeft, dat voleindigen zal”, Filippensen 1 : 6. Maar de onbekeerden hebben geen deel aan deze beloften, en daarom wordt hun bekommering in de ure van verzoeking lichtelijk door iets anders ver­drongen.

III. Het treurige van hun toestand

God bedroeft zich over hun ellende. “Wat zal Ik u doen?”. Hun toestand moet wel treurig zijn, als God zich daarover bedroeft. Toen Jezus over Jeruzalem weende, kon men daaruit wel besluiten in welk een hopeloze toestand de stad verkeerde, omdat Hij, Die deze tra­nen over haar stortte, duidelijk in de toekomst las, welk lot haar wachtte. Weinige jaren daarna was de schone stad Jeruzalem in een puinhoop veranderd; duizenden van het toen levende geslacht waren voor eeuwig verloren gegaan, en hun kinderen zwierven over de ganse aarde als vreemdelin­gen rond. Als Christus de farizeeën rondom met toorn aanzag, meteen bedroefd zijnde over de hardigheid van hun harten, was dit een klaar bewijs voor hun treurige zielstoestand. Hij zou zich niet bedroeven zonder oorzaak. Zo kunt u ook enigszins afleiden, hoe hopeloos de toestand is van onbekeerden, in wie de op hen teweeggebrachte indrukken weer verloren gaan, uit de vraag, welke God tot hen richt: “Wat zal Ik u doen?”

God gebruikt geen ander middel ter opwekking van geestelijk doden. God spreekt hier als het ware, alsof Hij ten einde raad was wat aan Zijn volk te doen, om ons te overtuigen, dat er geen ander slachtoffer over­blijft voor de zonden. Al de ontdekkende, al de uitlokkende en vertroos­tende waarheden der Schrift zijn tot u gebracht gemeente. U hebt aan de Sinaï ver­toefd, Gethsémané en Golgotha aanschouwd. Wat is er meer aan te doen? Dit alles is u daarenboven met nadruk op het hart gelegd door de leidingen der Goddelijke Voorzienigheid, in droefenissen, sterfgevallen en een tijd van overvloedige geestelijke vrijheden. U heeft een tijdperk mogen beleven, waarin het tienmaal waarschijnlijker was, dat u zou bekeerd worden, dan in enige andere tijd. Maar, u bent weer in uw vorige staat teruggezonken. Ach! de oogst is voorbijgegaan, de zomer is teneinde en u bent niet verlost! God heeft geen scherpere pijlen om uw hart daarmee te treffen, geen sterkere drangredenen, geen andere hel, geen andere Christus!

De voorbijgegane indrukken hebben u geen nut gedaan. Als de wolk over de kruin der bergen is voorbij gedreven, en de dauw op de rotsen is opgedroogd, dan is de bergtop niet lager en de rots niet harder dan tevo­ren; maar als de betere indrukken in het hart van de natuurlijke mens zijn uitgewist, dan laten zij de berg van hun schuld veel hoger en hun stenen hart veel ontoegankelijker achter dan het tevoren was. Er bestaat dan zoveel minder hoop, dat zo iemand ooit behouden zal worden. Gelijk het ijzer, als het vloeibaar gemaakt en daarna weer verkoeld is, daardoor des te harder wordt, of gelijk de toestand van iemand, die van een ziekte herstellende weer instort, des te gevaarlijker is, zo is ook hem het laatste erger dan het eerste.

Vooreerst: U bent  nu ouder geworden, en uw bekering wordt dagelijks moeilijker. Uw hart wordt hoe langer hoe meer in haar oude begrip­pen en gevoelens versterkt. De oude knie kan zich niet zo gemakkelijk meer leren buigen.

Ten tweede: U hebt de Geest wederstaan, u hebt de u geschonken gelegen­heid niet gebruikt; u hebt de Heilige Geest bedroefd; u kunt de bij u uit­gewiste indrukken niet terugroepen; de Geest ontfermt zich diens Hij wil.

 Ten derde: U hebt de betere, in uw hart teweeggebrachte indrukken moed­willig daaruit verdreven. Gelijk het ooglid zich vanzelf sluit, als enig voorwerp van buitenaf daarmede in aanraking wordt gebracht, zo weet ook de geoefende wereldling zijn hart voor alle betere indrukken te slui­ten.

Ten vierde: Als u in de hel uw ogen opendoet, zult u wensen, dat u nooit die sterke indrukken ontvangen had, omdat zij daar uw oordeel des te zwaarder zullen maken.

Vergun mij nu u allen, die enige betere indrukken ontvangen hebt, te vermanen, die niet verloren te laten gaan. Het, is een grote genade onder de verkondiging van het Evangelie te mogen leven, een nog grotere een tijd van geestelijke opwekking te mogen aanschouwen; doch de grootste genade is, dat God u overtuiging van zonde, gerechtigheid en oordeel schenkt door Zijn Geest. Laat dit niet tevergeefs aan u besteed zijn, keer niet tot uw vorige onverschilligheid terug, gedenk aan de vrouw van Lot. Red u om uws levens wil, zie niet achter u om, sta niet stil op deze ganse vlak­te. Red u naar het gebergte, opdat u niet omkomt!

God roept en verheft Zijn stem. Is het zo niet met u geweest? Heeft Hij niet luid aan uw deur geklopt, door waarschuwingen door Zijn leidingen, door sterfgevallen? Heeft Hij niet luid geroepen in het gepredikte Woord? Was soms, als u de Bijbel voor uzelf las, de stem van Christus niet sterker dan die des donders?

Hij roept tot allen. Riep Hij alleen de ouden van dagen, dan konden de jongelui zeggen: “Ons dreigt geen gevaar, wij hebben geen Zaligmaker nodig”. Kwam Zijn roepstem alleen tot de jongelui, dan konden de bejaarden onder u wellicht denken: “Hij is niet voor ons gekomen”. Had Hij tot de goeden of tot de slechten geroepen, dan zouden sommigen onder u zich nog voor verontschuldigd houden. Maar Hij roept tot u allen. Er is niemand onder mijn hoorders, dien Jezus niet roept. Dus zijn allen verloren in zichzelf, ouden en jongen, rijken en armen. Hoe u ook over uzelf denken mag, Jezus weet, dat u in een verloren toestand verkeert. Vandaar dat doordringend geroep: “Wat zal ik u doen, o Efraïm, wat zal ik u doen, o Juda?”

Als men een door God aan zichzelf ontdekte zondaar voor het eerst van Jezus spreekt, vermeerdert dit doorgaans Zijn droefheid. Zij zien duidelijk in, dat Hij een groot en verheven Zaligmaker is; maar zij gevoelen tevens, dat zij Hem verworpen hebben en vrezen, dat Hij nooit meer hun Zaligmaker worden kan. Zeer dikwijls luisteren aan zichzelf ontdekte mensen met aandacht naar een levendige beschrijving van Christus, en van Zijn plaatsbekledend lijden voor zondaren; maar echter blijven zij steeds vragen: “Is Christus ook mijn Zaligmaker?” Welnu, op deze vraag antwoord ik: God zegt in Zijn Woord “Die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen. Maar o, het is bedroevend, als men bedenkt, hoe de mensen zich verzetten tegen hun eigen geluk en Gods Woord niet willen geloven en tot Christus niet willen gaan.

Ook al de typen duiden aan, dat in de Zaligmaker genade is voor de grootste der zondaren. De koperen slang werd opgericht voor het aangezicht van geheel Israël, opdat men daarop mocht zien en blijven leven. Christus zelf ver­klaart de betekenis daarvan als Hij zegt: “Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden”. De vrijstad, die op een heuvel gebouwd was, en waarvan de poorten dag en nacht open stonden, leert ons dit duidelijk.

De engelen in de velden van Bethlehem herhaalden dezelfde waarheid. “Zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal”. En de laatste nodiging van de Bijbel is zeker de algemeenste van allen: “Die wil, neme het water des levens om niet”.

Sommigen zeggen: “Voor mij is er geen hoop meer. Nee, er is geen hoop meer; ik heb vreemde heren liefgehad, en die wil ik blijven volgen. Ik heb zulke grote zonden begaan, ik ben zo diep in de zonden verzon­ken, ik heb mijn begeerten zo lang gevolgd, dat het voor mij niet meer mogelijk is om aan terugkeren te denken. Neen, voor mij is alle hoop vervlogen”. Ik antwoord u: “Daar is wel hoop, uw zonden kunnen verge­ven worden om Jezus’ wil, er is vergeving bij God. Och! waarom zou de satan u zo misleiden? Het is waar, u heeft zich lang in het slijk der zonde gewenteld, u hebt uw gezondheid verwoest, en toch is er in Christus hulp te vinden. Hij is gekomen voor zulke ellendelingen als u bent.

“Ik ben in het minst niet bekommerd over het heil van mijn ziel zegt u. Tot op dit ogenblik luisterde ik nimmer met aandacht naar de prediking des Woords, en gaf ik nimmer acht op enig woord der Schrift. Nooit gevoel ik enig verlangen om van Christus, van God, of van de dingen der eeu­wigheid te horen”. Ik antwoord u: Er is een dieper wonder! Hoewel u zich niet bekommert over het lot van uw ziel, doet Christus dit echter wel, en Hij wenst haar te behouden. Ofschoon u zich niet om Christus bekommert, houdt Hij toch de handen naar u uitgestrekt, om u in Zijn armen te ontvangen. Christus kwam niet op aarde, omdat de mensen bekommerd waren over het heil van hun zielen, maar omdat wij verloren waren. U bent slechts te zekerder verloren. Christus zoekt u des te meer. Heden roept de Zaligmaker het uit: “Tot u, o mannen, roep ik!”

“Als ik verzekerd was een van de uitverkorenen te zijn, dan…; maar ik vrees, dat ik daar niet toe behoor”. Ik antwoord u: Niemand heeft ooit geweten of hij tot de uitverkorenen behoorde. Het is waar, dat God alleen naar Zijn vrij welbeha­gen sommigen tot het eeuwige leven heeft uitverkoren, maar zij wisten dat nooit, voordat zij tot Christus getrokken waren. Christus Roept niet uitverkorenen tot bekering maar zondaren!

“Ik vrees dat de markt gesloten is. Ware ik aan de morgen van mijn leven gekomen, toen was het zo geloof ik, dat Christus mij heeft geroepen, in mijn jeugd, maar nu vrees ik, dat de markt­tijd verstreken is”. Ik zeg u, weent bittere tranen dat u Hem zo lang hebt laten roepen, maar nóg is het de dag der zaligheid!

Hier doet zich dan de bijzondere gelegenheid voor, om u de Christus te prediken! Met al Zijn gaven en zegeningen aan ieder in het bijzonder in deze gemeente. Iedere man, iedere vrouw en ieder kind predik ik, in de naam van mijn grote Zender, onvoorwaardelijk en om niet, een gekruiste Zaligmaker, als uw Burcht en uw Gerechtigheid, uw Toe­vlucht en uw Sterkte. Ik heb het koord van het evangelie zo diep laten neer­dalen, dat zelfs zondaars die klein van persoon zijn, zoals Zacheüs, nooit kunnen zeggen; het was niet voor mij. Ach, zult u op zo’n grote zaligheid dan geen acht slaan?

Als Christus dan zo laag wil afdalen voor zondaren en zijn genade om niet te verkrijgen is, dan is het duidelijk, dat allen die leven en sterven zonder Christus het oordeel zullen ondergaan. “Die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen die Mij haten, hebben de dood lief”. Och! Het is bedroevend, dat dezelfde waar­heid, die het leven geeft aan iedere gelovige ziel, de dood werkt voor al de anderen. Wat zal ik u doen Efraïm?

O mijn broeders! U zult geen verontschuldiging vinden voor Gods aan­gezicht, als u heden niet behouden wordt. Het koord van het Evangelie is heden zo laag afgedaald. Als u onbekeerd van hier gaat, onbekeerd dit jaar uit gaat en onbekeerd dit leven verlaat zal uw oordeel des te zwaarder zijn in de jongste dag. Als Christus niet tot u gekomen was, had u geen zonde, maar nu hebt u geen voorwendsel voor uw zonde.

O mijn broeders, als u bij uw sterven kon verklaren, dat Christus u nim­mer was aangeboden, zou u in de eeuwigheid een minder rampzalig lot te wachten hebben, dan u nu wellicht tegemoet gaat. Heden moet u van hier gaan, u in Christus verblijdende, of Hem verwerpende; behouden, of meer dan ooit verloren. Daar is niemand onder u, die de verantwoordelijkheid voor deze dag des Heeren, op hem gelegd, niet zal gevoelen. Deze leerrede zal tegen u getuigen. Ziet toe, dat gij Dien, die spreekt, niet verwerpt. “Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?” Die Hem nu verwerpen, zullen dan van Gods aangezicht verworpen worden. “Gaat weg van mij, gij vervloekten”. “Welke tot straf lijden zullen, het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte”.

Als Christus eenmaal dit vonnis heeft uitge­sproken: “Gaat weg van mij, gij vervloekten, dan klopt Hij niet meer aan de deur van de harten. Dan geen dringende nodiging, geen liefelijke roepstemmen meer. Christus is de enige weg tot de Vader, maar de toegang tot die weg is dan voor eeuwig ontzegd. Christus is de enige deur, maar die is dan voor eeuwig gesloten. Met Christus te zijn, dat zal eigen­lijk de hoogste zaligheid van de verlosten uitmaken. “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn”.”

Is dat nu ook uw begeerte? Hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn”. “Alzo zullen wij altijd met de Heere wezen”. Zijn dienstknechten zullen Hem dienen, en zij zullen Zijn aangezicht aanschouwen. Dit maakt de stof der eeuwige vreugde uit in het hart van de verlosten. Maar de goddelozen zullen van deze zaligheid buitengesloten zijn. “Bindt hem, aan handen en voeten, en werpt hem uit in de buitenste duisternis”.

Hoe anders is het met hen die door God bekeerd zijn?!  Ten eerste: God sprak tot Abraham: “Ik ben uw schild, en uw loon zeer groot”. God geeft Zichzelf geheel aan de gelovige ziel, en zegt tot haar: ik zal u tot een God zijn. Asaf zegt: “God is de rotssteen mijns harten, en mijn deel in eeuwig­heid”. Wie kan de zaligheid beschrijven dergenen die bij God zijn, die God, de oneindige God, tot hun deel hebben ontvangen? Daar zal de mens buiten Christus voor eeuwig van verstoken zijn. God zal uw deel niet zijn. Hij zal uw God niet zijn. Al Zijn krachten en eigenschappen zullen tegen u gekeerd zijn.

Ten tweede: van de liefde Gods. “In Uw goedgunstigheid is het leven”. Deze liefde Gods wordt door de gelovigen reeds op aarde genoten. Een straal van Gods vriendelijk aangezicht is genoeg, om het hart van een christen met meer dan engelenblijdschap te vervullen, en het hart der eenzame weduwe van vreugde in haar binnenste te doen juichen. Van dit alles zullen zij, die niet in Christus gevonden worden, voor eeuwig zijn uitgesloten, en in plaats daarvan zal de toorn Gods in alle eeuwigheid op hen blijven. “Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God”.

Ten derde: Zij zullen buitengesloten zijn van Gods zegeningen. God is de bron van alle zegen. Al het geschapene is slechts in zo verre goed en liefelijk voor ons, als God wil dat zij dit zijn. De zon verwarmt ons, de spijze die wij nuttigen onderhoudt ons leven, onze vrienden veraangenamen ons bestaan, omdat God hun dit in het hart geeft, en Hij het zo gewild heeft. Al de vreugde van deze aarde is het afschijnsel van dat ongeschapen licht. Maar als de mens scheidt van zijn God, dan verandert alles in tastbare duisternis. God is de bron van alle blijdschap; scheidt de mens geheel van zijn God, en geen schepsel kan hem de geringste vreugde meer doen smaken. Zie daar, wat het zegt, verwerpelijk, voor eeuwig van God afgescheiden te worden. Al bestond er geen poel des vuurs, dit zou op zichzelf reeds een hel zijn.

De goddelozen zullen door zichzelf verworpen worden. Iemand heeft ergens gezegd, dat zij dan zullen wensen te sterven, maar het niet zullen kunnen. Zij zullen de dood zoeken, maar hij zal van hen vlieden. Ik geloof, dat sommige zelfmoordenaars reeds hier op aarde het begin van die eeuwige pijn in zich gevoelden. Ik verbeeld mij, dat Judas deze gewaarwording ondervond; hij kon zichzelf niet verdragen, en daarom zocht hij zijn leven uit te blussen. Ditzelfde zullen de zielen der rampza­ligen gevoelen. Zij zullen zichzelf niet kunnen verdragen, zij zullen het leven moe zijn en wensen, dat zij nooit hadden bestaan. Hier zijn onbekeerde mensen dikwijls zeer met zichzelf ingenomen. Zij besteden gaarne de hun verleende talenten, hun leven vliet daarhenen gelijk een stille beek, en wordt door hun onderlinge liefde en vriend­schap veraangenaamd. Het verleden biedt hun menige aangename herin­nering aan. Maar hoe geheel anders zal het zijn, als de dag der genade verstreken is!

Hun verstand zal dan verlicht en in staat zijn, om de ware aard van hun ellende te bevatten. Dan zal het oog de heiligheid, de almacht en de majesteit van God aanschouwen. Dan zult u uw eigen rampzalige toestand en de diepte van uw verderf doorgronden.

Uw wil zal geheel tegen de wil van God gekeerd zijn, hoewel u zult inzien, dat dit uw foltering slechts verzwaart; u zult alles haten, wat God liefheeft, en liefhebben, wat door God wordt gehaat.

Het geweten is de vertegenwoordiger van God in de ziel. Het zal u van al uw zonden beschuldigen. Het zal die ordelijk voor uw ogen stellen, en u veroordelen.

Uw genegenheden zullen nog op uw bloedverwanten gevestigd zijn. “Ik heb vijf broeders”, zo zult u spreken. Aardse vaders, hoewel die boos zijn, weten hun kinderen goede gaven te geven. Zelfs in de plaats van de rampzaligen zult u uw betrekkingen nog liefhebben, hoe zal het dan uw smart verzwaren, als u ook over hen het vonnis der verdoemenis hoort uitspreken.

Uw geheugen zal dan in volle kracht ontwaken. Het zal u al uw in de zonde doorgebrachte sabbatten, de preken, die u aangehoord hebt, alsof u ze niet hoorde, uw plaats in het huis des Heeren, de stem en het gezicht van uw leraar,  de klok, die u naar de kerk riep, dat alles, zal het u nog miljoenen jaren na deze ure voor de geest roepen, alsof het giste­ren geschied was.

Uw verwachtingen. Een eindeloze wanhoop. Hoe zult u wensen, dat u nooit geboren was geweest! Hoe zult u vruchteloos wensen die tedere aan­doeningen, dat beschuldigende geweten uit uw ziel te kunnen verbannen! U zult de dood zoeken, maar hij zal van u vlieden. Ziedaar wat het zegt, verloren te gaan! Dat is het eeuwig verderf! Dat is verworpen te worden.

Vermaningen

Dat de gelovigen de vurige ijver van Paulus navolgen. Een in de zonde doorgebracht leven, zal in een eeuwige verwerping eindigen. Deze twee zaken zijn door God onafscheidelijk samengevoegd, en kunnen door geen mens gescheiden worden.

De hel zal ondraaglijk zijn. Ik heb nog niet eens gesproken van de poel des vuurs, van de buitenste duisternis, noch van de worm, die niet sterft. Ik sprak tot dusverre alleen van het zielelijden, dat daar zal verduurd worden; en dit alleen is op zichzelf al ondraaglijk. O, wie zou het kunnen beschrijven, hoe vreselijk het zijn zal, als lichaam en zielelijden verenigd tot in eeuwigheid gevoeld worden? “Wie kent de hitte Zijns toorns?” Och, blijf toch Christus niet verwerpen. Nu roept Hij nog: “Komt!” Wel­dra zal het uit Zijn mond klinken: “Gaat weg!” Weersta de Heilige Geest niet langer. Nu twist Hij nog met u, maar Hij zal niet in eeuwigheid twisten. Weldra zal Hij van u wijken. Veracht het woord van uw leraar en van uw godzalige vrienden niet. Nu spreken zij nog met u, wenen over en bidden voor u. Weldra zullen zij zwijgen als het graf, of het halleluja aanheffen bij het aanschouwen van uw verdoemenis. Och, blijf niet langer hoogmoedig en groot in eigen ogen. Weldra zult u uzelf vloeken, en wensen, dat u nooit geboren was geweest.

Ten slotte, bedenk de verbazende liefde van Christus, die dit alles voor zondaren geleden heeft. Christus heeft als onze Borg de vloek voor ons gedragen. Alles, wat in het woord “verworpen te worden” ligt opge­sloten, heeft Hij voor ons verduurd. Amen.